Posts tonen met het label Scandinavië. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Scandinavië. Alle posts tonen

Jóhann Jóhannson - The Miners' Hymns

>> maandag 11 juli 2011

Jóhann Jóhannson’s nieuwe werk, The Miners’ Hymns, ontstond uit een opdracht van BRASS: Durham International Festival 2010 en werd gecomponeerd als begeleiding voor de eponieme film van Bill Morrison. Tezamen vormt het werk een ode aan de mijnwerkersregio in het noordoosten van Engeland en de muzikale component daarin.

Bill Morrison is een filmmaker die bekend is van zijn werk met found footage en The Miner’s Hymns is daarop geen uitzondering. Naar verluidt volgt de soundtrack van Jóhann Jóhannson de film op de letter, hetgeen niet door iedereen op waarde wordt geschat. Luisterend naar alleen de soundtrack is het niet moeilijk voor te stellen hoe de dramatiserende en ruimtelijke crescendo’s als ondersteuning van beelden kunnen dienen. Het zijn geen gemakkelijke composities. Het tempo is laag en de sfeer is onplezierig dreigend. Dat levert echter ook de bedoelde fascinerende vergelijking op met het uitzichtloze, risicovolle, ondergrondse werk in de mijnen. De lange muzikale zinnen omringen de luisteraar met een donkere verblinding in een haast verstikkende greep. Dit zijn an sich geen onbekende stijlkenmerken in Jóhann Jóhannson’s werk.

Als eerbetoon aan de kopermuziektraditie van de kolenmijnindustrie bestaat de bezetting van The Miners’ Hymns voornamelijk uit een flink zestiendelig koperensemble. Het spel van dit ensemble kent een expressieve emotie en de motieven en harmonieën vormen een schoon geheel. Daarnaast is een rol voor het orgel van Durham Cathedral weggelegd. The Miners’ Hymns opent met een aantal prachtige, gedecideerd gespatieerde orgelakkoorden, een atmosferisch patroon dat op gezette tijden terugkeert. Verder zijn de compositie waar nodig aangevuld door percussie en elektronica bestuurd door Jóhann Jóhannson zelf. De galm van de kathedraal werkt dynamisch versterkend in de opnames. Het draagt bij aan het gevoel van immersie en overmacht, hoewel de heldere koperklanken soms een sprankje getemperde euforische opluchting vertonen met name voortgedreven door de percussie.

Waar naar verluidt de componist de op het festival vertoonde film soms te letterlijk heeft geïnterpreteerd, heeft het album een interessante verhalende kwaliteit die mooi wordt vertolkt in de coherentie bezetting. Bovendien vormt dit krachtige sfeerstuk een mooi contrast met voorganger And in the Endless Pause there Came the Sound of Bees.

Read more...

Rebekka Karijord - The Noble Art of Letting Go

>> zaterdag 21 mei 2011

Rebekka Karijord is al enkele jaren in thuisland Noorwegen een gewaardeerde singer-songwriter. Hoewel The Noble Art of Letting Go, haar derde album, reeds uit 2009 stamt, werd het slechts schamel opgepikt. Daar moest verandering in komen, vandaar dat er rond deze tijd een internationale heruitgave op stapel staat.

Rebekka Karijord’s popliedjes zijn wellicht niet wereldschokkend, maar we hebben te maken met een origineel zangtalent dat prachtige en sfeervolle muziek maakt. De internationaal wel gevierde singer-songwriter Ane Brun is al tijden een vriendin en wederzijds staan ze elkaar met raad en daad bij. Dat maakt het feit dat Rebekka’s zang wel wat weg heeft van Ane Brun minder opmerkelijk, hoewel het tegelijkertijd juist opmerkelijk is dat de twee stemmen überhaupt op elkaar lijken. Luister maar eens naar pronknummer I Wear it Like a Crown. Stilistische referentiepunten vinden we eveneens in het noorden, vooral onder eigenzinnige singer-songwriters als Lise Westzynthius, Anna Ternheim, Christina Rosenvinge, Hanne Hukkelberg en zelfs een vleugje popdrama à la Maria Mena. Met deze lijst alleen al is duidelijk dat er nog altijd een rijk bloeiende vrouwelijke singer-songwritertraditie bestaat in Scandinavië en de output is om van te smullen. Dat geldt ook voor de ietwat weemoedige en duistere nummers op het toepasselijk getitelde The Noble Art of Letting Go. Afgezien van met misschien net iets te zoete To Be Loved by You is dit album een meer dan verdienstelijke voortzetting van deze traditie.

Wie van deze dames de voorkeur krijgt, hangt voornamelijk af van genre en humeur. Wat mij betreft blijft men zijn best doen singer-songwriters als Rebekka Karijord van daar naar hier te halen.

Read more...

Treefight for Sunlight - Treefight for Sunlight

>> zondag 13 maart 2011

Het Deense Treefight for Sunlight zwemt tegen de stroom in. Ze kijken niet vooruit, maar terug. Daarnaast is het niet hun bakermat die doorklinkt in hun debuut, maar de westkust van Californië. Die westkust zag vooral in de jaren ’70 enkele muzikale iconen opkomen. Dat is precies waar Treefight for Sunlight de mosterd haalt. Vanaf dat moment kan het vriezen of dooien. Immers, wie zit er nog te wachten op wat veertig jaar terug in zwang was? Luister naar dit compacte debuut en je beseft dat er geen nostalgie nodig is om voor dit geluid je huis uit te komen.

Treefight for Sunlight debuteert met een onweerstaanbare en geniale herinterpretatie van het geluid van de jaren ’70. Natuurlijk is het geen volledige kopie, maar zijn er ook recentere decennia in terug te horen. Het is echter volstrekt onnodig deze muziek te ontleden. De gematigd psychedelisch gedrapeerde lagen met plezierig lichte samenzang van de drie frontmannen (jawel, even goddelijk als het Romeinse consulaat) overheersen de plaat. Hoewel het idee dat Treefight for Sunlight springerige vrolijkheid en zorgeloze zonneschijn biedt hardnekkig vanaf het begin wordt gehandhaafd, wordt de band er ook mee tekort gedaan. De composities zijn veel uitdagender dan glimlachliedjes. De songs zijn een soort korte, intense symfonieën. In rap tempo worden deze op je af gevuurd. Een lot dat menigeen maar graag ondergaat. Songs als The Universe is a Woman, Facing the Sun en What Became of You and I? zijn westcoast hits après la lettre en zitten als gegoten in dit knappe debuut. Treefight for Sunlight is een heerlijke plaat waar niemand van dacht dat die er behoefte aan zou hebben.

Read more...

Moddi - Floriography

>> zaterdag 26 februari 2011

Al bij beluistering van zijn voorgaande EP schoot het door mijn hoofd. Moddi kan waarschijnlijk het best worden omschreven als de Noorse Damien Rice. Niet dat ik verwacht dat dit door de massa worden onderschreven, maar de even kale als theatrale songs van de Noor bezwijken haast onder de emotionele last. Bij Damien Rice, met name zijn eerste album, was dat niet anders. Moddi heeft alleen zijn wat moeilijk in het gehoor liggende stemgeluid niet mee. Hoewel in combinatie met zijn dictie en hortende intonatie een intrigerende dynamiek ontstaat, zal de minder geoefende luisteraar er wellicht direct zijn neus voor ophalen. Laat dat degene die de moeite neemt niet gebeuren.

De songs zijn over het algemeen traag en worden slechts bij uitzondering luid en enerverend. Voor het grootste gedeelte beluistert het prachtig getitelde, Floriography, als een duister wiegenlied. Moddi creëert in eerste instantie uitgestrekte lege ruimtes. Daarin introduceert hij flarden van geluiden, alsof een schip langzaam in en uit zicht opdoemt voor een benevelde, in drukkende kou gehulde, havenstad. De uitgetrokken deinende accordeonklanken en ijle vioolharmonieën versterken dit beeld. Hoewel er een onderstroom van huiselijke warmte aanwezig is, blijft Moddi heel Floriography dwalen langs de winderige wildernis van de kust. Zijn teksten verpakken diepe emoties in met wetenschap flirtende beeldspraak. Voor de één misschien pretentieus, terwijl het voor de ander fascinerend kan zijn. Het Noors in de slotsong maakt echter dat elke onzekerheid die daarover bestaat, wordt weggevaagd (tenzij de luisteraar het Noors tot zijn kennis rekent).

Moddi verheft zijn fluisterexpressie tot een kunst. Het is niet altijd even makkelijk doordringbaar. Wie Floriography zonder enige vooringenomenheid benadert (lastig na het lezen van een recensie), kan door Moddi naar de diepere lagen van ons bestaan worden gelokt waar gevoel en observatie naadloos op elkaar aansluiten.

Read more...

Amiina - Puzzle

>> zondag 13 februari 2011

Al erg lang stond Puzzle in de boeken, maar vond zijn weg naar de liefhebbers niet. 2010 werd 2011 voordat de schijf mij bereikte. Het IJslandse damesensemble Amiina is waarschijnlijk nog altijd bekender als de begeleiders van Sigur Rós dan voor hun eigen plaat Kurr, waarop de dames een zeer letterlijke huis, tuin en keukenbenadering van musiceren lieten horen. Die excentrische eigenzinnigheid is eigenlijk een vanzelfsprekendheid op opvolger Puzzle. In de persoon van Jón Birgisson is Sigur Rós nog aanwezig in de mixing van Puzzle. Openingsnummer Ásinn is direct getuige van een duidelijke verandering. Een warme onderlaag van poppy ambient geluiden draagt de anderszins herkenbare Amiina klanken. De vrijwel volledig instrumentale ensemblestukken, bekend van Kurr, krijgen op Puzzle gezelschap van etherische liedjes. Dat neemt niet weg dat de nadruk blijft liggen op de innerlijke structuren en aparte klankcombinaties van de instrumenten. Dat kan ook blijven bij een samenspel van de nu veel duidelijker aanwezige en toegankelijke (zware) ritmiek in de onderlagen met de lichtvoetige klanken die daardoor hun speelsheid voor ernstige plechtigheid verruilen (bijvoorbeeld Sicsak). In diverse opzichten is Puzzle daardoor wel gemakkelijker te verteren dan Kurr. Zonder hun identiteit te verliezen komt Amiina op deze manier dichterbij Broadcast 2000 en vergelijkbare knutselpoppers. Gelukkig blijft Puzzle ook uitstekend als een klassieke crossover te beluisteren, daarbij geholpen door de toegevoegde productielaag die een steunpunt voor ambient vormt. Na een opvallend debuut als Kurr beperkt de kritiek op Puzzle zich tot het feit dat het tegendraadse heeft plaatsgemaakt voor toonaangevende inmenging van de tijdsgeest. Daarmee verliest Amiina een deel van haar overvallend, sprankelende charme.

Read more...

Ólöf Arnalds - Innundir Skinni

>> zaterdag 15 januari 2011

Acid folk, freakfolk, nu-folk, in ieder geval geen flokrock of floktronica, maar wat doet het er inmiddels toe. Folk kan tegenwoordig behoorlijk veel stijlen omvatten en hoewel het in de basis als genre herkenbaar blijft, blijkt de overlap met indiepop alsmaar groter. De IJslandse singer-songwriter Ólöf Arnalds wist met ijzige soberheid op haar debuut Við Og Við flinke indruk te maken. Vooral het feit dat de IJslandse in haar moedertaal blijft zingen voegde extra nadruk toe en op Innundir Skinni laat ze dat gelukkig niet achterwege. Innundir Skinni is de daadwerkelijke opvolger van Við Og Við. Wat er met het aangekondigde Ókídóki gebeurde is gissen.

Ólöf Arnalds bevindt zich stilistisch in goed gezelschap met namen als Joanna Newsom en Lisa o Piu, terwijl haar karakteristieke stem mij al eerder deed denken aan Coco Rosie. Desondanks kiest ze over het geheel genomen een relatief traditioneel klinkende richting, zoals ook de fijne interpretaties van Lisa Knapp. Innundir Skinni laat letterlijke groei horen ten opzichte van Við Og Við. Waar ze het album opent met haar licht aarzelende stem, groeit Vinur Minn uit tot een korte ouverture die behoorlijk groots klinkt. Het nummer lijkt erop gebrand te zijn de zintuigen op scherp te zetten. In het Engelstalige Crazy Car lijkt de muzikante zichzelf of collegae aan te spreken en het begrip van de teksten haalt het plezierige mysterie dat in de IJslandse songs aanwezig is weg. Het comfort in haar moedertaal vergroot het gebruik van metrum en ritme, hetgeen de liedjes interessanter maakt. Later is te horen dat het Engels niet altijd beperkend is. De kleine liedjes krijgen door de intensiteit van haar vocalen dynamiek. Op haar vorige plaat beperkte ze de instrumentale middelen vaak nog zoveel mogelijk. Nu toont ze zich ook een kundig arrangeur. Vinkonur, Svíf Birki en Madrid zijn absoluut prachtig.

Het album heeft echter één onovertroffen parel waar alleen het woord adembenemend op van toepassing is. Het duet met Björk, Surrender, heeft een overweldigende emotionele schoonheid. Dat komt vooral door de verstillende eenvoud van het lied, terwijl er door slepende lagen een drukkende sfeer wordt gecreëerd. Surrender kruipt onder je huid, totdat je ermee ademt. Slotnummer Allt í Gúddí is daarna niet meer dan een toegift.

Ólöf Arnalds zet op haar tweede plaat haar talent op nieuwe manieren in en zal daarmee ongetwijfeld andere harten voor zich winnen. De IJslandse is het meer dan waard. De mistige vorst van het debuut gaat nu gepaard verwarmende rookpluimen. In alle opzichten is de sfeer en stijl van haar songschrijverschap verrijkt en dat zal ook de kenner overvallen.

Read more...

Chimes & Bells - Into Pieces of Wood

>> woensdag 17 november 2010

In afwachting van een album, geeft de EP Into Pieces of Wood van het Deense Chimes & Bells, het creatieve kind van celliste Cæcilie Trier, al twee jaar lang een prachtig beeld van een band die zijn volle wasdom niet mag mislopen. Met slechts vier songs (ondanks de minimale speeltijd van ruim vijf minuten) is het enigszins behelpen. De schoonheid van het tergend trage tempo doet naar uren van prolongatie verlangen. Chimes & Bells heeft veel gemeen met bands die recentelijk bejubeld worden. Belangrijk om te noemen zijn Fleet Foxes, Beach House en Choir of Young Believers, allen voor hun eigen stijlelementen. Daarnaast vormen de psychedelische tapijten van Warpaint wellicht een heel vers ijkpunt. Naast de broeierige compactheid van de onderliggende laag, houdt Chimes & Bells soms hun composities relatief leeg. De songstructuren volgen met regelmaat patronen uit oude muziek, zoals de eveneens door samenzang gedreven melodieën van Fleet Foxes daaraan refereerden. Chimes & Bells gebruikt echter steviger klankpatronen om hun songs op te bouwen. Titelsong Into Pieces of Wood doet dat zelfs op dergelijk traag pulserende en gruizige manier dat Archive in herinnering wordt geroepen. Door alle songs heen begint zich een manier van zingen te openbaren die ritme aanbrengt door de constante stuwing van de stroperige lagen op de melodie te stoppen. Na ruim twintig minuten rest er een verwachtingsvolle stilte. Volgens mij hangt ere en album in de lucht, maar concrete heb ik dat nog niet zien worden.

Read more...

Agnes Obel - Philharmonics

>> vrijdag 12 november 2010

Er werd halsreikend uitgekeken naar het debuut van de Deense Agnes Obel sinds ze haar EP Riverside uitbracht, hoewel die maar een drietal songs bevatte. Alleen Sons & Daughters vinden we niet op het album terug. Wie denkt dat met de titel Philharmonics de werkwijze van de singer-songwriter wordt aangeduid, heeft het mis. De songs van Agnes Obel zijn uiterst sober opgezet.

Riverside is een perfecte introductie op haar methode. Een subtiele pianopartij, die in eerste instantie uit niet meer bestaat dan een eenvoudige opeenvolging van simpele akkoorden, draagt haar doordringende, geaspireerde stem. De structuur doet enigszins denken aan de puristische basis van Soap & Skin, terwijl het licht wervelende, griezelige refrein uit een totaal uitgeklede Sufjan Stevens songs had kunnen komen. Vocaal ligt de vergelijking met Ane Brun of PJ Harvey ook voor de hand. In contrast blijft Philharmonics echter de essentie van de liedjes naar voren stuwen: een kabbelende structuur met getemperd ritme en een makkelijk te volgen melodielijn. Toch dringt zich nergens het gevoel van herhaling op. Stilistisch is Philharmonics duidelijk op pop geënt, hoewel indrukken uit de folk hoorbaar zijn. De sfeer is melancholisch, maar niet te zwaar. Daardoor behoudt Agnes Obel op het hele album een ontspannende toegankelijkheid. In alle soberheid is wel ruimte voor variatie in de bezetting van de begeleiding. Zo komen gitaar, harp en andere (gesimuleerde) klanken aan bod, die de songs van een veranderlijke klankkleur voorzien, terwijl de basis van piano doorgaans bewaard blijft. Alles steekt met ijzersterke precisie in elkaar. Deze expressieve exactheid wordt geëchood door het evocatieve album artwork, maar gedempt door de ietwat dof sinterende bewerkingen van klanken zelf. De donkere onderstroom die dat veroorzaakt, komt sterk naar voren in de John Cale cover Close Watch, die overigens uitstekend past in het geheel van de plaat die verder uit originele composities bestaat.

Zoals altijd vraagt een sobere aanpak om ontegenzeggelijk talent. Agnes Obel slaagt met vlag en wimpel en levert een uitstekend debuut af. Philharmonics sust en stemt tot nadenken. In de voorzichtig verschuivende emotieve patronen bewaart ze bovendien telkens een intieme schoonheid. Haar pop is met de zorg van kleine composities à la Erik Satie (Wallflower, Over the Hill) gesmeed en dat houdt de aandacht onverslapbaar vast.

Read more...

Hellsongs - Minor Misdemeanors

>> zondag 8 augustus 2010

Het Zweedse Hellsongs staat bekend als de vriendelijkste metalband. Hun eerdere werk werd wel beschreven als lounge metal punk, maar geen van de elementen in deze driepoot doet goed recht aan de muziek van Hellsongs. Voor mij is Minor Misdemeanors een introductie, terwijl het in werkelijkheid hun derde plaat is. Zo zie je maar hoe met genreomschrijvingen vaak ten onrechte een toepasselijk publiek kan worden gemist.

Hellsongs is in essentie een coverband. Dat helpt ook al niet, want dat gegeven doet mijn hart doorgaans niet sneller kloppen of er moeten zeer uitzonderlijke herbelevingen ontstaan. Dat is uiterst moeilijk en gebeurt dan ook niet vaak. Stel je echter voor dat je nauwelijks op de hoogte bent van bekende metal- en punkbands en dan Hellsongs hoort spelen. In dat geval kan het goed zijn dat ze menig liefhebber van fijne luisterpopliedjes voldaan achterlaten. Opmerkelijk, want op Minor Misdemeanors wordt werk ten gehore gebracht van o.a. AC/DC, Slayer, W.A.S.P., Pantera en Iron Maiden. Slechts het lieflijke Rubicon Crossings is van eigen hand en doet ook gelijk naar meer verlangen. Wat is er aan de hand dat een totaal afwijkend publiek lyrisch kan worden van Minor Misdemeanors?

Het is simpelweg de meest goedgeluimde en vrolijke selectie duistere en harde metalsongs die je ooit hoorde. Bovendien maakt Hellsongs hun interpretaties met zoveel respect dat er juist nieuwe interesse in de muzikaliteit van genres als metal en punk ontstaat. Slechts zo af en toe hoor je de band moeite hebben om de composities interessant te houden. Dat gegeven evenals het feit dat ook Minor Misdemeanors voornamelijk een trucje betreft, maken dat na beluistering mijn interesse vooral uitgaat naar een vervolg met meer eigen werk.

Read more...

Amanda Jenssen - Happyland

>> zaterdag 24 juli 2010

Amanda Jenssen’s faam groeit snel. De jonge Zweedse schrijft met het grootste gemak, zo lijkt het, lekker in het gehoor liggende popsongs en presenteert ze vol verve. Haar album Happyland is alweer haar tweede en weinig staat een aanzienlijk succes in de weg.

Amanda Jenssen laat zich graag inspireren door de jaren jazzy ’30 en ’40. Hoewel ze niet echt gebruik maakt van die bezetting is regelmatig de big band niet ver weg. De urgente kracht en ietwat excentrieke intermezzo’s in de nummers zijn toch echt van deze tijd. Happyland staat vol met dergelijke goed gecombineerde nostalgie profiterend van een frisse blik. Net als bij Caro Emerald hebben we te maken met een sterke zangeres. Gedeeltelijk spreken Amanda Jenssen en Caro Emerald hetzelfde publiek aan, zij het met een stilistisch afwijkende formule. Dat betekent echter ook dat er aan Happyland misschien net even teveel is gesleuteld. Daarom krijgen de nummers ondanks de lekkere, grootse sound soms een gekunstelde uitstraling. Schoonheid is in pure vorm toch het meest overtuigend. Gelukkig heeft Amanda Jenssen veel van het creatieve werk in handen en blijft een oorspronkelijke creativiteit bewaard. Zo weet ze een connectie met de muziek van Claire and The Reasons te bewaren, die voor haar debuut haar inspiratie iets later haalde. Waar de ruimhartige productie achterwege blijft, horen we dan ook het meest van de muzikante. Dan is het vooral haar plezierig buigzame popstem die de luisteraar grijpt.

Het bombast van Caro Emerald sloeg naar mijn idee net te ver door. Op Happyland vinden we rustpunten en daardoor komen mooie en rustige nummers beter door. Die balans maakt van Happyland ook een fijn album voor de serieuze muziekliefhebber, terwijl er voldoende valt te consumeren voor de liefhebber van alternatieve, aanstekelijke zomerpop.

Read more...

Holmes - Have I Told You Lately that I Loathe You

>> maandag 12 juli 2010

De Zweedse band Holmes laat met Have I Told You Lately that I Loathe You zien geen eendagsvlieg te zijn. De zeer verdienstelijke poprock interpretatie van americana is bij hen in goede handen. Nu is in de afgelopen jaren al vaker gebleken dat americana in noordelijk Europa, inclusief ons eigen land, soms volgelingen voortbrengt die de bakermat de loef afsteken. Have I Told You Lately that I Loathe You is ook zo’n een indrukwekkend goede plaat. Americana vormt een goede voedingsbodem, maar is zeker niet de enige inspiratiebron op het album. Holmes kan een behoorlijk vol en stevig geluid neerzetten en hoewel de meeste songs geen hoger tempo aannemen dan dat van slowcore kan worden verwacht, bezit de plaat een cadans die meer dan eens pakkend uit de hoek komt. De genoemde aspecten in combinatie door de gedragen, nasale stem van voorman Kristoffer Bolander maken een heerlijk melancholische combinatie die met tussenpozen de vergelijking aankan met Saybia, Audiotransparent en Washington. Niet de minste namen en wat mij betreft hoeft Holmes dan ook niet langer genoegen te nemen met een plaats in de marge. Overwegend is Have I Told You Lately that I Loathe You minder beklemmend dan de titel doet vermoeden en laat zelfs lui, ontspannen luisterballades veelvuldig toe. Dat houdt de hoeveelheid overlap met vergelijkingsmateriaal betrekkelijk klein. Met dit album consolideert Holmes zich op overtuigende wijze.

Read more...

Ólafur Arnalds - …and they have escaped the weight of darkness

>> dinsdag 6 juli 2010

De muzikale carriere van componist Ólafur Arnalds nam een zeer vroege vlucht met Eulogy for Evolution en in zekere zin zou kunnen worden gesteld dat …and they have escaped the weight of darkness pas de echte opvolger is van dat fenomenale album. Er ging echter een ruime serie andere werken en samenwerkingen (Kiasmos) aan vooraf. Daarmee liet hij horen dat de verstilde werelden die hij op Eulogy for Evolution creëerde ook heel andere verschijningsvormen kunnen aannemen.

…and they have escaped the weight of darkness gaat duidelijk voort op het oorspronkelijke pad en gaat niet gebukt onder het juk van experimentele formats (Found Songs) of een opdracht (Dyad 1909). Dit nieuwe album laat Ólafur Arnalds wederom in volledige creatieve vrijheid horen. Hij schreef de composities en arrangementen om vervolgens ook het album zelf te produceren. Tevens nam hij plaats achter piano en toetsen, terwijl de overige instrumenten door anderen worden ingevuld. Dat hij heeft geleerd van zijn vorige projecten is wel te merken. Niet in alle composities blijft de bezetting beperkt tot klassieke orkestraties met subtiele elektronische accenten. Door toevoeging van drum en bas kunnen de composities uitmonden in een aanzwellend bandgeluid. Minimalistische patronen vormen nog altijd een voornaam onderdeel van zijn werken, die hij graag ook ontbloot tot een minimaal instrumentarium. Zo ontglipt hij aan formalistische bezettingstradities en weet hij de arrangementen een van een eigenzinnige dynamiek te voorzien.

…and they have escaped the weight of darkness blijft in eerste instantie een modern klassieke plaat. Toch vindt Ólafur Arnalds gemakkelijk aansluiting bij elektronische soundscapes en ambient pop. Hoewel musiceren op dit scheidsvlak in het hedendaagse niet langer ongewoon is, beheerst Ólafur Arnalds de kunst buitengewoon goed. Dat mondt uit in een bijzonder intrigerende voortzetting van zijn oeuvre die een steeds krachtigere grip krijgt op de luisteraar.

Read more...

Club 8 - The People's Record

>> zondag 20 juni 2010

Dat de Zweden een neusje hebben voor popsongs is al tijden een openbaar geheim. Club 8 was me in die tijd nog niet eerder opgevallen, maar schijnt met voorganger The Boy Who Couldn’t Stop Dreaming internationale lof te hebben geoogst. Het huidige album The People’s Record is alweer hun zevende plaat en het kost niet veel tijd om te beseffen dat de band ongetwijfeld terecht wordt geprezen.

Voor The People’s Record nam de band de tijd voor een inspirerende reis naar Brazilië. Ze kochten West-Afrikaanse jaren ’70 platen en namen een Cubaanse percussionist in de arm. Die invloeden zijn allen duidelijk hoorbaar in het uiterst catchy popgeluid. Om deze wereldlijke veelvormigheid in goede banen te leiden hadden ze een sterke kracht aan producer Jari Haapalainen (Camera Obscura, Ed Harcourt, The Concretes). Club 8 heeft met The People’s Record zo aan het begin van de zomer goud in handen. De songs zijn vrijwel zonder uitzondering onweerstaanbaar vrolijk en uptempo. Door de psychedelische inslag vragen ze niet teveel aandacht, maar door de fijne, dromerige melodietjes zijn ze net aanwezig genoeg. The People’s Record vraagt om zomeravondfeestjes op langzaam afkoelend gras. Dat geeft al dan niet bedoeld de jaren ’70 sfeer wat extra jus. Het is overigens niet zo dat deze niemendallerige en onbezorgde beschrijving wil zeggen dat Club 8 totaal geen muzikale diepgang heeft. Ze weten bijvoorbeeld goed te spelen met tempowisselingen en vocale lagen. Bovendien scoorde de band in het thuisland nog een hit met een song over de dood. Een beetje à la Levy laten ze daardoor de poppret niet bederven. The People’s Record blijft een lekker springerig droompopplaatje dat in deze eclectische tijd een behoorlijk alternatief geluid creëert.

Read more...

Hjaltalín - Terminal

>> maandag 31 mei 2010

Terwijl wij met hooggespannen anticipatie uitkeken naar het soloalbum van Sigur Rós’s Jónsi, viel IJsland als een blok voor het nieuwe album van Hjaltalín. Net als voorganger Sleepdrunk Seasons opent Terminal met blazers, die algauw door een compleet kamerorkest lijken te worden bijgestaan. De band houdt duidelijk van een grootse, bombastische entree. Het past zonder meer ook bij hun theatrale stijl.

In opener Suitcase Man neemt de ritmiek gaandeweg de hoofdrol over met de binnenkomst van de vocalen. De ritmiek is op zijn minst eclectisch en druk te noemen; het reizen strekt duidelijk verder dan alleen de songtitel. Het zet de toon voor het specifieke opgewekte karakter in de nummers. Hoewel de noordelijke sound tekenend is voor zowel Jónsi als Hjaltalín, tonen zij beiden dat die sfeer niet is voorbehouden aan grauwe stemmigheid, uitgestrekte soundscapes en enigmatische pop- of folksongs. Naast Jónsi lonkt Terminal naar orkestrale landgenoten Sea Bear en Amiina. Opvallend zijn voor mij ook de structuren in de melodie die bij tijd en wijle aan Patrick Watson doen denken en in geval van de vrouwelijke vocalen aan Juliette Commagère. Daarmee is zeker nog niet alles gezegd.

In de composities van Hjaltalín lijkt constant een liefde voor de big band en musical op te borrelen, die wordt aangedikt met accenten uit de jazz, soul, klassiek en wereldmuziek in de percussie. Het is een bonte verzameling die wonderwel en behoorlijk aanstekelijk werkt. Bovendien weet Hjaltalín de veelvormigheid nu ter meerdere eer en glorie in diverse nummers om te zetten.

Om hun internationale appel kracht bij te zetten zijn nu alle songs Engelstalig. Op Sleepdrunk Seasons was de kwaliteit van de vocalen nog wisselend, maar Terminal neemt zijn revanche. Zangeres Sigga werd zelfs bekroond als ‘Voice of the Year’ op de Icelandic Music Awards, maar die eer had tevens zanger Högni toe kunnen komen. Waar de majestueuze en soms jazzy klanken van de hoge stem van Sigga zo uit een theatrale musical komen aanwaaien, brengt Högni, met constante spanning van stijlen, een geaspireerd stemgeluid met de gedragenheid van pop met een randje. Hun beider vocalen hadden ongetwijfeld niet misstaan op een album van Oi Va Voi of Zero7. Terminal wordt herhaaldelijk naar een hoger plan getild door de expressie van deze twee.

Om het geheel af te maken laat het zevental instrumentaal de vele kansen op excentriciteit niet onbenut. Dat geeft Terminal de verrassingen die een goed orkestraal album zeer lang houdbaar maken, hetgeen al helemaal bij zonnigere muziek vaak moeilijk blijkt. Hjaltalín is overduidelijk klaar voor de wereld, maar het is nog maar de vraag of iedereen klaar is voor Hjaltalín. Terminal is geweldig en onmiskenbaar aantrekkelijk, de manier waarop de band al hun inspiratie samensmelt, zou echter bij veelbepalende conformisten op gefronste wenkbrauwen kunnen stuiten.

Read more...

I Got You On Tape - Spinning for the Cause

>> woensdag 26 mei 2010

Kopenhagen heeft al jaren een goed lopende indiescene. I Got You On Tape is daarin zondermeer één van de smaakmakers, niet in de minste plaats omdat de leden van deze band aldaar bekende muzikanten zijn. Voorman Jakob Bellens kennen we bijvoorbeeld van Murder. Spinning for the Cause is reeds hun derde album. Inmiddels heeft I Got You On Tape dus ook op eigen conto een schare volgelingen. Zeker niet onterecht, want hun mix van zwaardere postrockinvloeden en artistieke elektropop is herkenbaar en plezierig om naar te luisteren.

Hun songs krijgen door hun gelaagdheid en traagheid psychedelische kwaliteiten zonder zich echt aan psychedelica te wagen. Een vergelijking met Air ligt voor de hand, maar ziet de songstructuren over het hoofd. Waar Air in eclectische zin composities bouwt, maakt I Got You On Tape duidelijkere keuzes en schrijft nog altijd overwegend popliedjes. De songs bevatten een intense stuwende kracht waar ondanks hoge dichtheid van beats juist een haast serene rust in ontstaat. Dat zorgt ervoor dat Spinning for the Cause op bepaalde punten grenst aan bitterzoete ‘easy listening’. Tegelijk grijpt het in het gebruik van synths en elektronica terug op de jaren ’80. Naast Air zijn in de contemplatieve en soms dansbare sound Engineers, The Most Serene Republic en een vleugje Zero7 terug te horen.

Het ruimtevullende, solide geluid van I Got You On Tape wordt in het thuisland enorm gewaardeerd en het ligt in de lijn der verwachtingen dat Spinning for the Cause hier ook hoge ogen gaat gooien. De opmerkelijke combinatie van donker rockende somberheid en ontspannen pop blijft van a tot z intrigeren.

Read more...

Winding Stairs - Everything

>> dinsdag 18 mei 2010

Het is opmerkelijk hoe Scandinavische muzikanten afwisselend met volstrekte eigenzinnigheid of volkomen perfectie het popgenre vormgeven. Het Zweedse duo Martin Wahlqvist en Lina Wedin gaan op podium en plaat door het leven als Winding Stairs. Winding Stairs lijkt voor geen van beide uitersten te hebben gekozen.

Debuutplaat Everything is gevuld met onmiskenbare popnummers, die in zowel laag als hoog tempo voldoende zoetheid en catchiness bewaren om de oren te doen spitsen. Ze maakten een opmerkelijke stijlmix die op heel veel plaatsen aan mainstream vastplakt, terwijl hun geluid zich daar tegelijkertijd herhaaldelijk tegen afzet. De noordelijke vibe is hoe dan ook aanwezig. De onweerstaanbare, tegendraadse popnummers zijn bijvoorbeeld terug te voeren op bijvoorbeeld A Camp (Nina Persson) en Britta Persson afgelost door de hartenkreten van Maria Mena. Desondanks is Winding Stairs op bepaalde momenten lekker dwars en creatief in tempo’s en elektronica. Daarin zijn invloeden van Martin Hagfors en Thomas Dybdhal te bespeuren. Tegelijkertijd wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van typische jazzy eigenschappen. Dat is terug te vinden in ritmes en het instrumentarium, waaronder de koperblazers aan het begin, die de miskende band The Open in herinnering roepen. Over de hele linie klinkt het duo telkens weer als een potente popband met een ruimtelijk geluid.

De albumtitel Everything zou te verklaren kunnen zijn door de erkenning dat Winding Stairs vele aspecten uit succesvolle mainstreamgeluiden heeft gecombineerd tot een diverse, toegankelijke indiesound. Daarmee creëert het duo ook wel een mogelijke patstelling: ze zijn vlees noch vis en hun volgelingen blijven wellicht steken tussen servet en tafellaken. De tijd zal het uitwijzen. Hun songs zijn in ieder geval geen reden om ze links te laten liggen.

Read more...

Micadelia - Free Ride

>> maandag 17 mei 2010

Anderen wezen de jonge Zweedse Mika Sundqvist al vroeg op haar mooie stemgeluid. Het duurde echter enige tijd voordat zij dat zelf ook begon in te zien. Vanuit de liefde voor Neil Young en Led Zeppelin beklom ze met twee verschillende coverbands, respectievelijk Mica and The Gold Rush en Mica and The Other Pages, het podium. Na een serie concerten lonkte echter een eigen album. Dat werd Free Ride.

Free Ride moet de weg effenen voor een echte singer-songwriter plaat, want momenteel betreft Micadelia weliswaar Mika solo, maar blijft het op een haar na een coverproject. Die haar is het op americana geïnspireerde Sadness. De overige songs komen van oude bekenden, waaronder natuurlijk Neil Young en Led Zeppelin naast Nick Drake, Nirvana, Carole King, en anderen. Overigens coverde ze nog veel artiesten die niet op deze plaat terecht zijn gekomen. Producer Johan Nilsson speelde al mee in haar eerdere bands, maar tekende op deze soloplaat voor de productie. Belangrijker is wellicht te noemen dat hij ook Mika’s vader is. Zijn liefde is te horen in de warme, volronde wijze waarop hij Mika’s stem de hoofdrol geeft. Met name in Under The Milky Way (van het toepasselijk Australische The Church) vertonen haar vocalen gelijkenis met Sarah Blasko. Toen Ferraby Lionheart op zijn toer Zweden aandeed, werd deze direct uitgenodigd in de studio. Zodoende zingt hij mee op Micadelia’s interpretaties van George Harrison’s Long Long Long en Nirvana’s Polly. Hoewel de iets zwaardere, rockarrangementen waarvan vele songs zijn voorzien, goed passen bij het anderszins duidelijk singer-songwritergeluid, moet de jonge zangeres nog oppassen haar hand niet te overspelen. Het stevige Bron-Y-Aur Stomp (van Led Zeppelin) doet haar talent geen goed.

Free Ride is een goed te pruimen coveralbum waarin de potentie van Micadelia wordt getoond. Desondanks blijf ik een liefhebber van de zuivere eigenzinnigheid van echte singer-songwriters. Sadness is niet de beste song op het album, maar maakt daarvoor voldoende nieuwsgierig naar de toekomst.

Read more...

Altmodisch - Altmodisch

>> zondag 16 mei 2010

Deze Deense band voert de naam Altmodisch, het Duitse woord voor ouderwets. Dat lijkt moedwillig haaks te staan op het geluid dat zij voorstaan. Dit eponieme debuut volgt op twee EP’s die maar een beperkt bereik hadden op hun Deense labels. Desondanks leverde die al vergelijkingen met The Notwist en stadsgenoten Efterklang op. Deze release op Regular Beat zou dus best eens veel meer aandacht kunnen vergaren.

Net als Efterklang, Tunng en genregenoten combineert Altmodisch een akoestisch, klassiek instrumentarium (waaronder viool, cello, banjo, trompet en akkordeon) met elektronica. Er wordt gelaagdheid gecreëerd met digitaal gesamplede loops, drum machines en allerhande elektronische accenten, waarbij ook wat agressieve noise bij komt kijken, zoals Autechre die placht te gebruiken. Gelukkig volgt melodische verlossing vrijwel altijd op een aangenaam intrigerende manier. Altmodisch blijft trouwer aan elektropop of -rock dan de excentriekere folkpop van voornoemde referenties. De songs zijn meer op de beat gebouwd en krijgen daardoor een rockeriger karakter. De vingervlugheid van bijvoorbeeld Efterklang en Tunng blijft achterwege. Ontspanning is er meer op de momenten dat er rust en ruimte in de composities wordt gemaakt. Dat doet aan als ambient postrock, omdat de akoestische instrumenten eerder een spannende achtergrond dan leidraad vormen. Verder valt Altmodisch op door het gebruik van zowel mannen (kop)stem als vrouwelijke vocalen. Deze sieren de elkaar overlappende geluidsdekens van akoestische en elektronische aard. Altmodisch is geenszins ouderwets en heeft met name op het gebied van de rol voor elektronische kraakjes, klopjes, noise en synths een experimentele uitstraling.

Het album is gevuld met zware popsongs die uitstapjes naar de dance en ambient postrock maken. Vooral door de melodische eigenschappen van hun songs blijft Altmodisch goed luisterbaar, doch ietwat eentonig. Hun stijlmix is minder opzienbarend dan hun voorgangers, maar de honger naar alternatieven wordt door Altmodisch met soepele elegantie gestild.

Read more...

Jóhann Jóhannson - And in the Endless Pause there Came the Sound of Bees

>> woensdag 28 april 2010

De IJslandse componist Jóhann Jóhannson is de bron van één van de meest authentieke geluiden in het hedendaagse muzikale landschap. Bovendien blijkt hij ook behoorlijk productief. Het nieuwe album And in the Endless Pause there Came the Sound of Bees bevat oorspronkelijk de muziek die hij componeerde voor de film Varmints van Marc Craste, maar het werk had zodanige autonome aantrekkingskracht dat de soundtrack nu wordt uitgebracht als een origineel Jóhann Jóhannson album. Wat direct opvalt, naast het verwachte zeer cinematografische karakter, is de relatief romantische klanken waarmee het album opent. Waar zijn vooruitstrevendheid doorgaans ook een graad van ontoegankelijkheid veroorzaakt, is And in the Endless Pause there Came the Sound of Bees vooral een dramaturgisch sfeerstuk. Het album luistert gemakkelijk als één groot aaneengeschakeld stuk, terwijl het eigenlijk bestaat uit 13 voorbestemde delen. De rol voor elektronische geluiden en vervormingen, net als de vocalen en field recordings, maken de muziek weer typisch Jóhann Jóhannson. Tegelijkertijd doet de visuele stijl enigszins aan als Zbigniew Preisner, maar dan ingetogen. Deze gelijkenis is vooral duidelijk op het moment dat de composities een duistere wending nemen. Jóhann Jóhannson blijft over de hele linie spaarzaam met de gebruikte middelen, maar weet daar wel een maximaliserend effect mee te bereiken. Wat begon als een soundtrack is wellicht een prima introductie op het eigenzinniger werk van de IJslander. And in the Endless Pause there Came the Sound of Bees doet daarmee een handreiking naar diegenen die nog niet zijn ingewijd.

Read more...

Jónsi - Go

>> woensdag 31 maart 2010

Nog niet zo lang geleden konden we genieten van een zeer tedere versie van het Sigur Rós geluid middels het duo Jónsi & Alex. Op deze plaat vliegt Sigur Rós lid Jónsi Birgisson voor het eerst echt solo. Go is een juweel van een plaat. Het spreekt een totaal andere kant van het van Sigur Rós bekende geluid aan.

Al direct bij Go Do is duidelijk dat Jónsi uitgesproken folky klanken als basis gebruikt ten opzichte van de eerdere ambient soundscapes. Het is bekend dat IJsland een goed land is voor indiefolk, getuige recentelijk Seabear of het bijzondere Amiina. De nummers op Go zijn echter behoorlijk stevig en gedreven. Dat is een element dat op sommige Sigur Rós albums ook naar voren komt. Het nummer Animal Arithmic lijkt weggelopen te zijn bij The Dodos. Opvallend zijn bovendien de rijke, voornamelijk akoestische, orkestraties op de plaat. Deze arrangementen waren gedeeltelijk in handen van componist Nico Muhly (eerder werkte die al met o.a. Grizzly Bear, Antony & The Johnsons en Sam Amidon). Door zijn bijdrage zijn duidelijk invloeden uit modern klassiek en filmmuziek terug te horen. Daarmee komt ambient wederom dichtbij. Luister maar naar Tornado. Dat Go naast dit alles tevens progressief aandoet, is ongetwijfeld het werk van producer Peter Katis (Interpol, The National, Tokyo Police Club). Tegelijkertijd bewaart Jónsi een singer-songwritergeluid. Het kost zeker vier nummers om het scala aan stijlen op Go voorbij te laten trekken.

De vele punten van herkenning maken in dit geval geen kopie. Daarom blijft Jónsi’s soloavontuur tot aan het eind spannend. De melancholische melodieën die hij met zijn karakteristieke kopstem benadrukt, zijn iedere keer weer bezwerend mooi, zeker in nummers als Grow Till Tall. De songs zijn afwisselend in het IJslands of Engels gezongen. Een slimme zet, omdat zijn muziek zo een raadselachtige ondertoon blijft houden. Dit album kiest duidelijk een ander, grootser, pad dan Jónsi’s project met Alex Somers. Solo horen we Jónsi diversifiëren en experimenteren zonder dat hij de band met zijn bewonderaars verspeelt.

Read more...

Doelstelling van deze blog

Meer aandacht voor het (nog) onbekende. In tenui labor of toch niet?

Mededelingen

Donderdag 1 juli: deze week weer een frisse herstart verwacht.
Kort reces tot 13-05-10.
Na een kort reces vandaag (24-02-10) weer aan de post. Inmiddels is deze blog twee jaar geworden!
Gedurende december zullen er minder recensies worden geschreven
21-31 augustus: tijdelijk even geen recensies ivm een kort reces
Zondag 14 juni: Creative Commons licentie BY NC ND van toepassing op alle inhoud
Woensdag 3 juni: zoekfunctie en auteursrechtenonderdeel toegevoegd
Dinsdag 19 mei: template aangepast, hopelijk verbeterd
Vrijdag 15 mei: nieuw template; ontwikkeld door Ourblogtemplates.com, 2008

Auteursrechten

© Copyright Benjamin N. Vis

Uitgezonderd waar anders vermeld, is op alle inhoud van deze blog een Creative Commons Attribution 3.0 License van toepassing. Deze is hieronder gespecificeerd als CC BY NC ND. Voor meer informatie klik op de links aldaar.

  © Blogger templates Inspiration by Ourblogtemplates.com 2008

Back to TOP  

Creative Commons License
werk van Benjamin N. Vis, Nieuwe Geluiden is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-Niet-commercieel-Geen Afgeleide werken 3.0 Nederland licentie.