Posts tonen met het label melancholisch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label melancholisch. Alle posts tonen

Scott Matthews - What the Night Delivers...

>> zaterdag 9 juli 2011

Gelukkig maakt de meeslepende pop van Scott Matthews een behoorlijk andere singer-songwriter dan Scott Matthew. Met zijn verbluffende debuut Passing Stranger maakte hij een album dat op eenzelfde wijze als Jeff Buckley een weelderige eigenzinnige popvisie koppelde aan goed toegankelijke nummers die zelfs hier en daar op de radio konden verschijnen. Het was opmerkelijk dat na zo’n binnenkomst Scott Matthews met opvolger Elsewhere juist voor een geluid koos dat bewust de ruimte nam voor muzikaal experiment. De bedoeling was niet om goed verteerbare popsongs te schrijven, maar popmuziek te smeden met fijnzinnig gevoel voor compositie. De vergelijking met het bombast van Jeff Buckley bleef op gepaste afstand.

What the Night Delivers... herhaalt geen van beide albums en toont daarmee wederom wat een uitzonderlijk talent Scott Matthews heeft. Natuurlijk mogen we de wereld op blote knieën danken voor die hemels uithalende stem, maar niemand kan voorzien hoe zijn eigenaar die zal inzetten. De subtiel gelaagde weelde van Elsewhere is blijvend van invloed in de songstructuren en toch is tegelijk het juist het medium van de song dat op What the Night Delivers... weer aan aandacht wint. Hoewel het instrumentgebruik niet bijzonder groot is, behouden de zwierige composities ook in de kleinste vorm een ruimtelijke ervaring opgeroepen door de pure kracht in Scotts stem. Overigens vinden we op What the Night Delivers... meer naakte songs, zoals de jazzy ballade Bad Apple en het lieflijk dromende Head First into Paradise. Het kundige gitaarspel is niet altijd de leidraad voor de nummers op What the Night Delivers... en dat opent mogelijkheden voor het naar voren schuiven van andere klankkleuren. Naarmate het album vordert lijkt dat steeds voorzichtiger met de tedere liedjes om te gaan. Waar Passing Stranger bijna overrompelde met emotie en rijke arrangementen, doet het huidige album een flinke stap terug en pakt de luisteraar juist langzaam wiegend in. Het effect is echter bedrieglijk gelijk.

Dit derde album is door de directere aard van de nummers gemakkelijker luisterbaar dan Elsewhere. De ingetogenheid zorgt voor een besloten atmosfeer die de aanwezigen onmiddellijk betrekt bij de ervaringen die Scott Matthews ze toevertrouwt. Deze zeer persoonlijke benadering zal wellicht bij sommigen wat ongemakkelijk aanvoelen, maar wie zijn hart opent vindt zich ongetwijfeld al snel dankbaar in de greep van deze exceptioneel muzikale man.

Read more...

Scott Matthew - Gallantry's Favorite Son

Ook voor hun derde album hebben Scott Matthew en Scott Matthews afzonderlijk van elkaar besloten deze in kort tijdsbestek van elkaar uit te brengen. Als liefhebber van beiden is het verschil meer dan duidelijk, maar naar buitenstaanders toe blijft dat toch verwarrend. Naar verluidt vreesde de introverte troubadour Scott Matthew het opdrogen van de inspiratie. Op Gallantry’s Favorite Son is daar weinig van te merken.

De flamboyance die nog van belang was op het debuut verdween reeds met de onvolprezen voorganger There is an Ocean that Divides. Gallantry’s Favorite Son neemt het pikdonkere sentiment van dat album over. De songs hebben veelal een ferme, diepe basis, maar blijven de kenmerkende eenvoud houden die Scott Matthew’s eigenzinnige stijl zo opmerkelijk maakt. Het gebruik van melodie is ingetogen, maar behoudt een doeltreffende spontaniteit en timing. Scott Matthew onderdrukt constant de snik die achter iedere muzikale zin kan worden verwacht en weerhoudt zich ervan uit de band te springen. Muzikale versierselen zorgen vooral voor atmosfeer en minder voor decoratie. De onderwerpen ontspringen wederom aan een uiterst individuele belevingswereld waarvoor Scott Matthew waarschijnlijk slechts door weinigen wordt benijd, ondanks de artistieke uitingen waar die de voedingsbodem voor vormt. In de poëtische lyriek is geen plaats voor optimisme. Zelfs verjaardagslied Felicity stemt tot melancholie en hij maakt zelfs van de atypisch zonnige westcoast cadans van The Wonder of Falling in Love een fascinerend stuk muziek.

Ook na drie albums veroorzaakt iedere hartenkreet van Scott Matthew, gezongen als een luide fluistering, nog voor een brok in de keel. Technisch bleven ook de interessante contrasten tussen de muzikale en melodische eenvoud en de metrisch onverewachts gedrapeerde vocalen die de luisteraar telkens weer één en al aandacht maken. In de meeste opzichten borduurt Gallantry’s Favorite Son dus geruststellend voort op de paden die deze even aandoenlijke als charmante muzikant eerder insloeg. Alle gemaakte beloftes worden ingelost. Daarnaast vernieuwt Gallantry’s Favorite Son juist vooral in de inzet en structuren van de vocalen.

De nieuwe ballades voegen een essentieel hoofdstuk toe aan een bijzonder oeuvre dat bij iedere beluistering emotionele reacties teweeg brengt. Scott Matthew blijft ongetwijfeld te excentriek voor het grote publiek en daardoor zal de haast spirituele intimiteit van zijn performances hopelijk beschermd blijven.

Read more...

Esmerine - La Lechuza

>> vrijdag 8 juli 2011

In bepaalde kringen hebben de bands Godspeed You! Black Emperor en Thee Silver Mt. Zion grote faam vergaard. Toch zullen in die kringen nog steeds velen niet weten dat percussionist Bruce Cawdron en celliste Beckie Foon al tien jaar lang daarnaast vooruitstrevende neoklassieke muziek maken als Esmerine. La Lechuza is het eerste album van de groep rondom dit tweetal in maar liefst zes jaar. Het is opgedragen aan de verleden jaar overleden singer-songwriter Lhasa de Sela, eveneens een opmerkelijke muzikante. In meerdere opzichten is La Lechuza vernieuwend voor Esmerine. De groep is gegroeid met onder andere harpiste Sarah Pagé en percussionist Andrew Barr. Andere bijdragen komen van Colin Stetson en Sarah Neufeld (Arcade Fire, Bell Orchestra).

Hoewel de ontwikkeling eerder een evolutie betreft dan een omslag is het effect aanzienlijk. Neoklassiek is een subgenre dat weliswaar geleidelijk aan aanhang wint, maar toch behoorlijk exclusief blijft. La Lechuza slaat echter middels deze lofrede een brug naar een ruimer publiek. Enkele composities die hun plaats op dit album hebben gevonden, volgen voor een belangrijk deel de regels van de onafhankelijke en eigenzinnige popsong. Het is dan ook weinig opmerkelijk dat juist Patrick Watson (bovendien een goede vriend van Lhasa) gastvocalist is. Esmerine’s muziek is veel ingetogener dan Watson’s eigen stijl en zijn vocalen zijn dan ook betrekkelijk bescheiden aanwezig. Het effect, zoals gezegd, is echter aanzienlijk. La Lechuza toont Esmerine in de grootse rijkdom aan klanken sinds de oprichting. Lhasa is niet alleen aanwezig in geest, maar postuum ook in de creatieve richtingen die voor dit album werden gekozen. De uitbreiding van de band is mede aan Lhasa’s visies te danken. Met die invloed zijn gelijk de soms volkse ritmesecties en wereldlijke accenten in de composities verklaard. Juist door de neoklassieke jas van Esmerine raken deze voldragen en krijgt het volkse een prachtige diepte die raakt aan de dramatiek in Lhasa’s eigen werk. Overigens horen we zelfs Lhasa zelf nog terug op het slotnummer, een niet eerder uitgebrachte versie van Fish on Land.

Esmerine beweegt zich in de kringen van Rachel’s, Clogs, de atmosferische werken van Balmorhea en zelfs iets van de intense nieuwe jazzklanken van het Portico Quartet. Het blijft daarin meer een dynamisch ensemble dan veel werk van minimalistische neoklassieke componisten. La Lechuza is een zachtjes kabbelend en tegelijk onverzettelijk meeslepend album waarin met name de nummers met medewerking van Patrick Watson ook ieder pophart zullen doen smelten. Het is nergens eenvoudig effectbejag, maar schittert telkens in fijnzinnig opgebouwde structuren en sequenties. La Lechuza is evengoed een mooie emotionele elegie als een fiere stap in een creatieve ontwikkeling.

Read more...

Rebekka Karijord - The Noble Art of Letting Go

>> zaterdag 21 mei 2011

Rebekka Karijord is al enkele jaren in thuisland Noorwegen een gewaardeerde singer-songwriter. Hoewel The Noble Art of Letting Go, haar derde album, reeds uit 2009 stamt, werd het slechts schamel opgepikt. Daar moest verandering in komen, vandaar dat er rond deze tijd een internationale heruitgave op stapel staat.

Rebekka Karijord’s popliedjes zijn wellicht niet wereldschokkend, maar we hebben te maken met een origineel zangtalent dat prachtige en sfeervolle muziek maakt. De internationaal wel gevierde singer-songwriter Ane Brun is al tijden een vriendin en wederzijds staan ze elkaar met raad en daad bij. Dat maakt het feit dat Rebekka’s zang wel wat weg heeft van Ane Brun minder opmerkelijk, hoewel het tegelijkertijd juist opmerkelijk is dat de twee stemmen überhaupt op elkaar lijken. Luister maar eens naar pronknummer I Wear it Like a Crown. Stilistische referentiepunten vinden we eveneens in het noorden, vooral onder eigenzinnige singer-songwriters als Lise Westzynthius, Anna Ternheim, Christina Rosenvinge, Hanne Hukkelberg en zelfs een vleugje popdrama à la Maria Mena. Met deze lijst alleen al is duidelijk dat er nog altijd een rijk bloeiende vrouwelijke singer-songwritertraditie bestaat in Scandinavië en de output is om van te smullen. Dat geldt ook voor de ietwat weemoedige en duistere nummers op het toepasselijk getitelde The Noble Art of Letting Go. Afgezien van met misschien net iets te zoete To Be Loved by You is dit album een meer dan verdienstelijke voortzetting van deze traditie.

Wie van deze dames de voorkeur krijgt, hangt voornamelijk af van genre en humeur. Wat mij betreft blijft men zijn best doen singer-songwriters als Rebekka Karijord van daar naar hier te halen.

Read more...

Fuzzy Lights - Twin Feathers

>> zaterdag 14 mei 2011

Door de alsmaar groeiende invloed van het internet is het een tijd geleden dat ik het genoegen smaakte een album te kopen daartoe geïnspireerd door het artwork in een rasechte onafhankelijke plantenzaak. Deze eer valt Fuzzy Lights nu ten deel. Fuzzy Lights blijkt achteraf minder obscuur dan misschien gedacht. Sowieso is Twin Feathers al hun tweede album en ook waren er enkele EPs. Daarnaast kregen ze door critici binnen het postrock genre, hoewel dat misschien een beperkte groep betreft, zeer positieve recensies.

Postrock kan veel omvatten en ik ben zeker geen adept van de traditionele of zware rock. Het is dan ook een plezier te merken dat Fuzzy Lights iets originelers voorstaat. De zwierige opener Obscura roept een dromerige, donker romantische sfeer op die Saint-Saëns een geliefd componist maakte. Daarbij valt de hoofdrol die de viool krijgt op. Een belangrijk stijlelement van Fuzzy Lights’ muziek is kennelijk het combineren van klassieke en akoestische klanken met de geluidswallen die rockende gitaren en drums kunnen opwerpen. Daarmee ontstaat een interessante balans die dynamisch wordt gebruikt in de veelal door minimalistische repetitie opgezette composities.

Zoals het de postrock betaamd is er behoorlijk wat ruimte voor instrumentaal werk, dus is het een bijzonder genoegen de prachtig heldere stem van Rachel Watkins te horen op Fallen Trees, terwijl Xavier Watkins op Through Water juist met een donker prevelen de genrebenoeming vereert. De minimalistische compositie The Museum Song is een moderne lofrede op traditionele Britse folk. Vervolgens raak je vervoert door de schitterende combinatie van viool, harmonium en contrabas in Lucida. Dat doet denken aan een mix van de filmmuziek van Preisner en de hartverscheurende songs van Moddi. Rituals blijkt geënt op een verrassend standaard, ietwat vlakke ballad, die desondanks goed in het geheel past. Naar het eind van het album verliest Fuzzy Lights echter de urgentie waarmee het Twin Feathers was opgezet. We horen in Shipwrecks gelukkig nog even de stem van Rachel, evenals in afsluiter The Sea and the Heather. Er volgt helaas geen muzikale of emotionele apotheose meer, waardoor de spanning van het album enigszins onbehandeld afglijdt. De kans laat op een zinderend eind laat men liggen.

Twin Feathers moet daarom als album superlatieven ontberen, terwijl de band die zeker verdient. Binnen het omarmde postrock genre vindt Fuzzy Lights een eigen pad. Dat levert erg mooie composities op. Om in trance te raken hebben we (gelukkig) trance niet nodig. Het is jammer dat Twin Feathers slechts afloopt met een lui ontwaken.

Read more...

Wild Beasts - Smother

Het Britse Wild Beasts, dat zichzelf uitriep tot het intellectuele antwoord op traditionele arbeidersklassebands, is een band die al op het vorige album, Two Dancers, de weg naar volwassenheid inzette. Het tweetal dat aan de basis staat, Hayden Thorpe en Ben Little, hebben zich vanaf het begin van Wild Beasts laten inspireren door de ‘hogere’ kunsten, hetgeen zelfs terugkomt in hun bandnaam (Wild Beasts is een reïncarnatie van het Franse Fauvisme dat kon worden omschreven als een expressieve vorm van het realisme in impressionisme). Wild Beasts zet met Smother hun interessante combinatie van referenties die velen zullen ontgaan en pakkende indiesongs voort.

De regelmatig terugkerende vergelijking (door hun beider Mercury Prize nominaties) met het ondynamische en ongeïnteresseerde geprevel van The XX is misplaatst. Die band lijkt meer de frustratie van de huidige generatie latente jonge honden weer te geven, vervlakt door de ongemeend betrokken emoties in de sociale media van alledag. Wild Beasts daarentegen maakte van hun debuut een epische exclamatie van een frisse theatrale stijlconventie, die de gedoodverfde oppervlakkigheid van de Britse arbeidersbands moest tegenspreken. De literaire interesse van het duo sprankelde in hun songs en is op dit derde album even sterk aanwezig. Natuurlijk heeft het geen zin de oorspronkelijke schreeuw te herhalen en dus deed Wild Beasts dat ook niet op Two Dancers. Het gebeurt evenmin op Smother.

In plaats van hun huidige succes op de spits te drijven, zochten de mannen mogelijkheden om hun sound onderweg met de creatief uitpakkende beperking van elektronica door te vormen. Het resultaat is een understated versie van hun kenmerkende sound. De classificatie ‘understated’ moet dus niet worden verward met vlak. Zodra de vocalen over de monotone glijden is de captiverende dynamiek van de band volledig terug. De meest toepasselijke relatie met The XX is als tegenpool. Smother moet het niet hebben van de onmiddellijk ademstokkende songs van de voorgaande albums. De aard van deze plaat is meer sinister. De krachtige overreding zit in expressieve schakeringen die slim zijn gedoseerd over de solide, van minimalistische patronen doordrenkte, basislagen. De ambiguïteit van de afwisselend diepe vocalen en falset, wordt hier versterkt door de repetitieve tegenstelling van arrangementen en vocalen. Op deze manier krijgt het dubbele gezicht van het Fauvisme een nieuwe lading.

Wederom maakte Wild Beasts een album dat getekend is door charmant, avant-gardistisch iconoclasme. Met dit album vergroot het de afstand tot theatrale alternatieven als The Irrepressibles en zal wellicht beter de weg vinden tot introspectieve shoegazers. Het is opmerkelijk hoe dichtbij Wild Beasts de twee typen bezweringen laat lijken. Ondanks de omvang van hun prestatie, betwijfel ik de kansen op een nog groter publiekssucces. Muzikaal intellect als gevolg van een kleinere aanpak wordt zelden beloond. Aan de andere kant kan de arm van positieve kritieken sterk genoeg blijken. Hoe het ook uitpakt, Wild Beasts doet juist als gewaardeerde underdog hun kunstzinnig eerbetoon recht.

Read more...

Julianna Barwick - The Magic Place

>> zondag 8 mei 2011

Lange tijd moesten we het doen met de bijzondere EP Florine waarop Julianna Barwick haar uitzonderlijke stemklankkunsten vertoonden. In de aanloop werd de release van haar tweede album, The Magic Place, enkele malen uitgesteld. Nu is de plaat dan verkrijgbaar en klaar voor een oordeel.

Julianna Barwick bouwt haar werk op met minimalistische koren die uit gelaagde samples en loops van haar eigen stem bestaan. Daarin ontstaan diep weerklinkende klankkleuren en ijzige boventonen, soms spaarzaam aangevuld met enkele instrumentale klanken en percusieve elementen (piano). Het etherische en cerebraal rondspinnende geheel verwerkt veel invloeden van modern klassieke koormuziek, maar maakt tegelijk een stap in de richting van populaire genres. Gelukkig blijft The Magic Place ver genoeg af van new age, hoewel er enige gelijkenis bestaat. Jammer is dat de licht echoënde vocalen in de opname of productie een blikkerig karakter hebben gekregen die de composities niet altijd ten goede komt. Het is duidelijk dat de idiosyncratische werkwijze waarmee de muziek van Julianna Barwick ontstaat het album een sterk conceptueel karakter geeft. Het tempo is ook grotendeels eenvormig. Hoe betoverend ook enige verveling ligt op de loer. De voortdurende muzikale gedachtelijnen worden doorbroken door kleine variaties in de arrangementen waarin solo zang of piano kortstondig op de voorgrond treden. Toch weerhouden het repetitieve minimalisme en de uitgestrekte klanktapijten de luisteraar vaak van echt engagement. Met name de composities die gebruik maken van een dynamische opbouw met Julianna’s solovocalen springen er in positieve zin uit, zoals het intense White Flag. Ook slotcompositie Flown is prachtig, maar enigszins verstoord door de productie.

In vele opzichten is The Magic Place precies de opvolger die na Florine kon worden verwacht. Mogelijk is het juist door het medium en de speelduur van een album dat hier de composities kracht verliezen en daarmee ook ten langen leste hun xenofiele aantrekkelijkheid. Hoewel het aantal muzikale middelen groeide, geldt dat niet in dezelfde mate voor het concept. Waar andere artiesten die van vergelijkbare techniek gebruik maken grote diversiteit weten uit te buiten, bijvoorbeeld Owen Pallett, blijft bij Julianna Barwick de begingedachte de leidraad. Daarin ontspringt de ambiguïteit van The Magic Place, want deze rechtlijnigheid kan worden geprezen, terwijl het totale resultaat kan worden bekritiseerd. In deze afweging slaat voor mij de balans wel positief door, maar de kanttekening is genoteerd.

Read more...

Elbow - Build a Rocket Boys!

>> vrijdag 11 maart 2011

En dan nu een album van degenen die de Mercury prijs wel wonnen. Elbow maakte in 2008 de belofte van jaren waar en leeft nu het leven waar iedere beginnende band van droomt. Het succes en de aandacht is enorm. Hoewel niet minder indrukwekkend dan eerder werk, is nu iedereen het wel over hun kwaliteiten eens. Een lofzang die voorlopig geen einde kent. Build a Rocket Boys! zet dat slechts voort. Dat neemt niet weg dat single Neat Little Rows niet het meest interessante of geïnspireerde Elbow-nummer is dat we ooit hoorden. Naar verluidt gaf de band zelf aan dergelijk nummer nodig te hebben voor de verwachting van de massa. God zij dank is Build a Rocket Boys! echter het meest contemplatieve album van de Britten tot nu toe. Nadat ik als recensent mijn voorliefde bij de bespreking van vorig album liet blijken, heb ik me gepermitteerd het album even te laten rijpen. Toch kan ik het niet laten erover te schrijven.

In feite heeft Elbow nu geen introductie meer nodig. Liefhebbers herkennen de sound overal. De band heeft de opmerkelijke gave om in een behoorlijk traditionele formatie met een alom bekende methode liedjes te schrijven die altijd hun eigen identiteit uitdragen en telkens bijzonderder blijken dan hun familieleden. Bovendien rijpen hun creaties zonder uitzondering uitstekend. Zowel muzikaal als tekstueel doet Elbow geen water bij de wijn. De scenario’s zijn vaak herkenbaar, maar worden op poëtisch, sluikse wijze gepresenteerd. Ze appelleren aan aanvaarde gevoelens om en kiezen geen partij in netelige thema’s. De menselijkheid zegeviert. Nooit wekt de band het gevoel pretentieus te zijn of was er de noodzaak de aandacht te trekken. Elbow krijgt de aandacht van een trouw en liefdevol publiek. Het karakter van frontman en uitzonderlijk zanger Guy Garvey draagt daaraan bij. Vanuit die gedachte is ook Build a Rocket Boys! gemaakt.

Met gepaste trots erkent de band momenteel de verworven roem. Tegelijkertijd brengt Elbow, onder andere met dit album, vooral met bescheidenheid hun geschiedenis naar buiten. De band plaatst zich in het grote geheel van de veranderende muzikale wereld en beseft waar de huidige situatie aan te danken is. Build a Rocket Boys! is een plaat voor diegenen die altijd al in Elbow’s muziek geloofden en niet een album voor sensatiemakke nieuwe zieltjes. Het leent zich minder voor de grote poparenatoer die ze momenteel maken. Zoals Guy zelf pas geleden schreef: in deze tijd, waarin iedereen zelf muziek naar buiten kan brengen, volgt succes als je goed genoeg bent. Het is bijna met spijt dat ik Elbow dergelijke hoogtes zie bereiken, maar het vervult mij ook met trots. Hun muziek imponeert me nog evenzeer als de eerste keer dat ik hun debuut hoorde. Er is veel muziek die me raakt, maar er is geen andere traditionele band die iedere keer weer overeenkomt met mijn diepste gevoelens. Luister!

Read more...

Templo Diez - Greyhounds

>> dinsdag 1 maart 2011

De stevig rammende pulsen waarmee Templo Diez hun vierde album begint brengen mij direct in sferen van zwaargewichten als The Dears, Archive of zelfs een beetje Doves. Dit is niet vergelijkend bedoeld, maar is wel degelijk een compliment. Templo Diez heeft zich gedurende het drieluik dat hun vorige albums vormde bedient van een alt. country, country-noir overstijgende indierockstijl. De voorafgaande EP Freiheit liet al horen dat de band wellicht voor een rockender geluid zou kiezen en dat lijkt bewaarheid te worden.

De titelsong van huidig album was op die EP al te horen, evenals Light Stroking the Walls, terwijl Holler#1 wordt voortgezet als #2. Dat neemt niet weg dat als er in My Spring, Your Fall gewag wordt gemaakt van de onmiskenbare americana geluiden er ook gas wordt teruggenomen. Het slepende Greyhounds, dat de kleuren van postrock draagt, kent een structuur die doet denken aan het vroegere werk van Audiotransparent. Tezamen met de diepe sferen van Holler#2, waarin Greyhounds prachtig uitmondt, krijgt de luisteraar een keur van de stilistische krachten die de stem van Pascal Hallibert bezit. Zijn kenmerkende timbre draagt kunstmatige effecten even makkelijk als een verbeten rasp die Wovenhand in herinnering roept. Tegen die tijd heeft de flow van het album zijn grip bevestigd en bevinden we ons eens te meer in de volle indierockwereld van desolate alt. americana die Templo Diez kenmerkt.

De stevigheid waarvan de rock op Greyhounds gepaard gaat, is voor mij persoonlijk weleens op het randje. Die voorkeur voor rust, zoals in de ontwikkeling van Pulse of the Sun en She's a Sparrow, wordt wellicht niet door iedereen gedeeld. Met het wegvallen van Gloribel Hernández heeft de band ook wat van zich af te spelen. Gloribel zorgde met name op Merced voor een bijzondere extra laag in Templo Diez’s muziek. De band weet het verlies met dit album echter goed op te vangen en veert terug als een gevierde groep muzikanten. De drijvende kracht achter Templo Diez is nog altijd Pascal Hallibert en hoewel die zijn talent inmiddels deelt over diverse projecten is het nog altijd deze formatie die mij het meest weet te raken. Misschien is het drielijk eigenlijk een vierluik.

Read more...

Talons' - Songs for Boats

Singer-songwriter Mike Talon is een man van concepten. Dat spreekt al uit de verpakking van dit nieuwe album, Songs for Boats, de logische opvolger van Songs for Babes. Het album zelf is ook uit een duidelijke gedachte geboren. Tijdens Mike’s verblijf in Spanje zakte de wereld in recessie en op zijn gebruikelijke, dromerige wijze kwamen Mike’s gedachten op de uitdaging van thuiskomst, nadat de wereld dezelfde niet meer zou zijn. Een boot is dan een hoopvolle gedachte. Noach ging hem immers als herder al voor. Talons’ neemt echter een veel bescheidener positie in, hetgeen hier met recht het label pastorale folk oproept.

Ondanks de ingetogenheid, die gedurende heel Songs for Boats aanhoudt, heeft Talons’ sound een ontwikkeling doorgemaakt. Het klinkt eenduidiger en warmer dan voorheen. Veel tierelantijnen komen er niet aan te pas. De gitaar en stem vormen de basis. Waar wel wordt gearrangeerd, gebeurt dat doorgaans in volronde basklanken onder spaarzaam geplaatste en uitgerekte accenten. Meer dan op Songs for Babes doet dit de folksong zegevieren in plaats van de über-eenvoud van het lo-fi karakter. Die eenvoud is overigens wel weer terug te vinden in de teksten die dit keer minder op humor spelen dan op Songs for Babes. Met het vergaan van de wereld op het netvlies is het ongetwijfeld minder voor de hand liggend goed geluimde grappen over Spaanse seňoritas te verwerken. Dat neemt niet weg dat boten in alle vormen en maten en het deinen van het water onmiskenbaar zijn op Songs for Boats.

Talons’ geluid was een aantal jaar terug een welkom rustpunt in de muzikale tijdsgeest, maar kwam in een golf van soortgelijke folkpop, waardoor inmiddels waarschijnlijk niemand op zal kijken van Songs for Boats. In die context is Talons’ echter wel de moeite waard. De songs zijn met zorg in elkaar gestoken en zullen iedereen vriendelijk tegemoetkomen. Op voorzichtige wijze zijn extra lagen geluid aangebracht die doen denken aan de eerste plaat van Adem. Uitgesprokenheid is hier niet van belang. Dit is het land van hoop en berusting en dan vertrouwen we liever op iets dat reeds ontvankelijk klinkt.

Read more...

Moddi - Floriography

>> zaterdag 26 februari 2011

Al bij beluistering van zijn voorgaande EP schoot het door mijn hoofd. Moddi kan waarschijnlijk het best worden omschreven als de Noorse Damien Rice. Niet dat ik verwacht dat dit door de massa worden onderschreven, maar de even kale als theatrale songs van de Noor bezwijken haast onder de emotionele last. Bij Damien Rice, met name zijn eerste album, was dat niet anders. Moddi heeft alleen zijn wat moeilijk in het gehoor liggende stemgeluid niet mee. Hoewel in combinatie met zijn dictie en hortende intonatie een intrigerende dynamiek ontstaat, zal de minder geoefende luisteraar er wellicht direct zijn neus voor ophalen. Laat dat degene die de moeite neemt niet gebeuren.

De songs zijn over het algemeen traag en worden slechts bij uitzondering luid en enerverend. Voor het grootste gedeelte beluistert het prachtig getitelde, Floriography, als een duister wiegenlied. Moddi creëert in eerste instantie uitgestrekte lege ruimtes. Daarin introduceert hij flarden van geluiden, alsof een schip langzaam in en uit zicht opdoemt voor een benevelde, in drukkende kou gehulde, havenstad. De uitgetrokken deinende accordeonklanken en ijle vioolharmonieën versterken dit beeld. Hoewel er een onderstroom van huiselijke warmte aanwezig is, blijft Moddi heel Floriography dwalen langs de winderige wildernis van de kust. Zijn teksten verpakken diepe emoties in met wetenschap flirtende beeldspraak. Voor de één misschien pretentieus, terwijl het voor de ander fascinerend kan zijn. Het Noors in de slotsong maakt echter dat elke onzekerheid die daarover bestaat, wordt weggevaagd (tenzij de luisteraar het Noors tot zijn kennis rekent).

Moddi verheft zijn fluisterexpressie tot een kunst. Het is niet altijd even makkelijk doordringbaar. Wie Floriography zonder enige vooringenomenheid benadert (lastig na het lezen van een recensie), kan door Moddi naar de diepere lagen van ons bestaan worden gelokt waar gevoel en observatie naadloos op elkaar aansluiten.

Read more...

Ólöf Arnalds - Innundir Skinni

>> zaterdag 15 januari 2011

Acid folk, freakfolk, nu-folk, in ieder geval geen flokrock of floktronica, maar wat doet het er inmiddels toe. Folk kan tegenwoordig behoorlijk veel stijlen omvatten en hoewel het in de basis als genre herkenbaar blijft, blijkt de overlap met indiepop alsmaar groter. De IJslandse singer-songwriter Ólöf Arnalds wist met ijzige soberheid op haar debuut Við Og Við flinke indruk te maken. Vooral het feit dat de IJslandse in haar moedertaal blijft zingen voegde extra nadruk toe en op Innundir Skinni laat ze dat gelukkig niet achterwege. Innundir Skinni is de daadwerkelijke opvolger van Við Og Við. Wat er met het aangekondigde Ókídóki gebeurde is gissen.

Ólöf Arnalds bevindt zich stilistisch in goed gezelschap met namen als Joanna Newsom en Lisa o Piu, terwijl haar karakteristieke stem mij al eerder deed denken aan Coco Rosie. Desondanks kiest ze over het geheel genomen een relatief traditioneel klinkende richting, zoals ook de fijne interpretaties van Lisa Knapp. Innundir Skinni laat letterlijke groei horen ten opzichte van Við Og Við. Waar ze het album opent met haar licht aarzelende stem, groeit Vinur Minn uit tot een korte ouverture die behoorlijk groots klinkt. Het nummer lijkt erop gebrand te zijn de zintuigen op scherp te zetten. In het Engelstalige Crazy Car lijkt de muzikante zichzelf of collegae aan te spreken en het begrip van de teksten haalt het plezierige mysterie dat in de IJslandse songs aanwezig is weg. Het comfort in haar moedertaal vergroot het gebruik van metrum en ritme, hetgeen de liedjes interessanter maakt. Later is te horen dat het Engels niet altijd beperkend is. De kleine liedjes krijgen door de intensiteit van haar vocalen dynamiek. Op haar vorige plaat beperkte ze de instrumentale middelen vaak nog zoveel mogelijk. Nu toont ze zich ook een kundig arrangeur. Vinkonur, Svíf Birki en Madrid zijn absoluut prachtig.

Het album heeft echter één onovertroffen parel waar alleen het woord adembenemend op van toepassing is. Het duet met Björk, Surrender, heeft een overweldigende emotionele schoonheid. Dat komt vooral door de verstillende eenvoud van het lied, terwijl er door slepende lagen een drukkende sfeer wordt gecreëerd. Surrender kruipt onder je huid, totdat je ermee ademt. Slotnummer Allt í Gúddí is daarna niet meer dan een toegift.

Ólöf Arnalds zet op haar tweede plaat haar talent op nieuwe manieren in en zal daarmee ongetwijfeld andere harten voor zich winnen. De IJslandse is het meer dan waard. De mistige vorst van het debuut gaat nu gepaard verwarmende rookpluimen. In alle opzichten is de sfeer en stijl van haar songschrijverschap verrijkt en dat zal ook de kenner overvallen.

Read more...

Novack - Sequences & Stills

The Notion Express van Vladimir is een voortreffelijk album dat een aantal jaren terug onvolprezen bleef. De lome postrockerige indiepop met een jazzy kwinkslag vond wellicht niet de juiste klank om een breed publiek aan zich te binden. Aan de basis van het inmiddels uiteengevallen Vladimir stonden Sander van der Linden en Wubbo Siegers. Zij vinden samen met vier andere bandleden een nieuwe muzikale uitlaatklep in Novack. Waar kan ik beter het muzikale jaar beginnen dan bij een band van eigen bodem die nu al ruchtmakend is?

Uit het debuut Sequences & Stills blijkt duidelijk dat Vladimir niet langer voor de nummers verantwoordelijk is. De songs volgen veel overtuigender een indiepoplijn, en dan specifiek die lijn die rond de start van het nieuwe millennium met Coldplay op de voorgrond snel uitwaaierde. Verwacht echter geen grote emotionele uitwassen. Ondanks dat een hecht zesmanschap de volle sound produceert, worden de liedjes op Sequences & Stills opmerkelijk klein gehouden. Het lome karakter van Vladimir is daarmee niet helemaal verdwenen. Een zeskoppige band geeft de mogelijkheid verschillende muzikale ideeën in de songs te verwerken en Novack maakt daar op smaakvolle wijze gebruik van. Dat uit zich niet in scherpe contrasten, maar in gedetailleerde accenten die leunen op de warm golvende onderstromen. Dit geeft Sequences & Stills een ingetogen uitstraling en de band een evenwichtige sound waarin synths even natuurlijk weerklinken als een koperblazer. Novack smeedt zo een solide plaat waarin oscillerende patronen voor variëteit zorgen. De stilistische omslagen vormen zo als vanzelf de stadia van het album.

Vladimir bracht ons een eigenzinnig kunststukje voor de liefhebbers. Novack blijkt een vriendelijke indieband die de critici met een mooi gevormd geluid en het publiek met absorberende openheid binnenhaalt. Het kan worden verwacht dat deze aanpak een langere adem heeft. De band verfrist op gebalanceerde wijze een indiepopgeluid dat iedereen goed heeft leren kennen en vervreemdt zich daarbij niet van wortels in de groeiende Nederlandse alternatieve muziek. Novack is een sterke, aimabele aanwinst waarvan nog veel kan worden verwacht.

Read more...

Benoît Pioulard - Lasted

>> vrijdag 3 december 2010

Middels voorgaande albums Précis en Temper bouwt Benoît Pioulard, oftewel singer-songwriter Thomas Menuch, gestaag een reputatie op. Lasted pikt de draad eenvoudigweg weer op waar hij ophield op Temper. Toch is er een duidelijke ontwikkeling.

In zijn strikt persoonlijke stijl verweeft hij indiepop met ambient en milde noise soundscapes. Zijn albums lijken te streven naar een vooraf bepaalde algemene ervaring. Ieder nummer lijkt een fragmentarisch sfeerstuk dat bouwt aan een intrigerend geheel. Het zijn als het ware gedachtes die als opname aan het publiek worden toevertrouwd. De opbouw zit dus voornamelijk in het album en in mindere mate in de afzonderlijke stukken. Lasted lijkt een groeiende interesse te tonen in de popkant van Menuch’s songschrijven. Dat brengt soms een iets puntiger ritme met zich me en leidt daarin tot vluchtige, maar opvallende songs als Sault en Shouting Distance. Zoals vaak, maakt deze ontwikkeling richting liedjes de muziek toegankelijker. Op Lasted hangt daar echter ook een nadeel aan. De songs an sich kennen een matige spanningsboog, terwijl hun karakter ze distantieert van de voortvloeiende lijn. Waarschijnlijk is het niet de bedoeling om de popsongs los te zien van hun ambient omlijsting, toch was er op voorganger een Temper een grote symbiose aanwezig. Daar leek het prevelen haast spontaan over te gaan in preutelende liedjes die vrijwel ongemerkt ook weer verdwenen. Lasted kiest een benadering die mij meer doet denken aan het debuut van Sleeping States, zonder op dezelfde wijze met pop te overtuigen. De nadruk ligt minder op de melkwolkerige structuren en meer op dynamische contrastrijke afwisseling te liggen. De aandacht verschuift daarmee automatisch naar de songs waarvan de interludes een constante voorbereiding blijken.

Lasted is evengoed een sterk album en het zal dus aankomen op persoonlijke voorkeur. Hoewel de sterkere songs een plezierige groei demonstreren, prefereer ik voor de albums de verhullende glooiingen in de structuur. Dat neemt niet weg dat popsongs als Tack & Tower and A Coin on the Tongue via een soundscapeachtig, elektro-akoestisch pad een afstandelijke interpretatie van vroeg Winterpills werk ten gehore brengen. Daarin bevinden zich voldoende nieuwe ideeën om uit te kijken naar Benoît Pioulard’s voortgang.

Read more...

Chapter - III

>> zaterdag 13 november 2010

De albumtitel geeft aan hoeveel je gemist hebt als je Chapter nog niet kende. Twee mij onbekende albums gingen III voor. Verwarrend is echter wel dat er ook een IV bestaat en dat die EP (geen volledig album) een eerdere releasedate (iTunes) kent dan III. Ook de afkomst van de band is in nevelen gehuld. Myspace vermeldt Belgische, Engelse en Zwitserse roots. De Zwitserse connectie wordt concreet doordat III is opgenomen in een Geneefse studio van bandlid Thierry van Osselt.

Voorheen schijnt Chapter vooral een slaapkamerproject te zijn geweest. Het huidige album beingt echter niet overwogen intiem noch uitgesproken evocatief. De magie van het slaapkamergevoel lijkt verloren te zijn gegaan in de studio. III opent met Tomcat dat vocalen huist die ergens tussen José Gonzales en My Architects blijven hangen. Het zeurderige toontje van de stem in de eerste nummers past eigenlijk beter bij dance georiënteerd werk dan verhalende pop, hetgeen toch de signatuur van Chapter zou zijn. Folkelementen zijn eerder terug te vinden in de geaccentueerde instrumentatie dan de songstructuren. Getingel en getokkel maken al gauw dat een band een folkuitstraling krijgt, maar de werkelijke geste van Chapter is anders: het sentiment van kabbelende pop-noir. De akoestische warmte in de grondslag van de band is uitermate plezierig en toch bekruipt me tijdens het beluisteren van de plaat meerdere malen het gevoel dat er wat expressie mist. De ritmische percussie blijft te allen tijde getemperd en de vocalen betrekkelijk vlak. De Blaudzunachtige, huilende snik die in de vocalen van het eenvoudige My Sweet Girl sluipt, is een verlichting evenals de verrassend kale, punchy intermezzo Candle of Black Hope. What Am I To Do Now? zet vervolgens een zangerige donkerte van Alex’s vocalen in de etalage. The Bird (Song for Mum) valt op door een wijds gitaarloopje en helder afwijkende melodielijn. Het lijkt erop dat Chapter wel degelijk uit het juiste hout gesneden is en zich op III aanvankelijk te vaak verliest in een wollige invulling die leidt tot lijzige liedjes. Ze onderpresteren weliswaar nooit, maar die songs bezitten regelmatig te weinig overredingskracht.

Voor Chapter is dus wat geduld nodig. Wie de moeite neemt om te blijven luisteren zal zonder twijfel met name op de tweede helft van III aangenaam worden verrast door een variatie aan herinterpretaties van de op de eerste helft wat vlak gepresenteerde ideeën. Wanneer de ideeën puur worden gehouden, is Chapter in staat prachtige kleine liedjes te schrijven.

Read more...

S. Carey - All We Grow

>> zondag 25 juli 2010

De S van S. Carey staat voor Sean Carey. Wellicht niet direct een naam die bekend zal klinken, maar de band waar hij deel van uitmaakt, doet dat zeker wel: Bon Iver. Na het vallen van die naam is het overigens gelijk duidelijk dat naast Justin Vernon, Sean Carey zeker een beslissende rol heeft gespeeld in de vorming van For Emma, Forever Ago. Niet dat zijn solodebuut All We Grow dit album kopieert, maar de verstilde en vaak uitgestrekte songs vertonen wel een zekere gelijkenis. Tevens kent het album gedeeltelijk een overeenkomende klankkleur.

De albums van solo bandleden Philip Selway (Radiohead, drum) en S. Carey (Bon Iver, drum, piano) komen dichtbij elkaar uit. Een kleine vergelijking levert op dat beide voor een ingetogen popgeluid kiezen, waarin drums slechts beperkt aanwezig zijn. Waar in Philip Selway’s arrangementen textuur belangrijk is, zijn die, net als bij Bon Iver, voor S. Carey bepalend. Zelfs zodanig dat het risico op experimentele of atmosferische wijdlopigheid bestaat. In het album als geheel zijn die stukken echter een welhaast perfecte voorbereiding voor de gestileerde, minimaal harmonieuze, gezongen melodieën die doorgaans volgen. De betovering van All We Grow bereikt dan zijn hoogtepunten. Sowieso is de titel All We Grow een schitterende bewoording van het stilistische effect van de plaat. S. Carey heeft niet alleen een groeiplaat gemaakt, het geluid lijkt ook op traag tempo met semi-spontane scheuten te groeien. Het is heerlijk hoe de minimalistische, vaak monotoon ritmisch aangezette, patronen vrijelijk een grid leggen voor de lijzige, kabbelende songs en verstrekkende, ruimtelijke soundscapes. De nadruk die op het verloop en de opbouw van de composities ligt, valt misschien te herleiden tot Sean Carey’s klassieke graad in percussie en liefde voor de jazz. De milde invloeden van postrock, jazz en modern klassiek maken grote delen op van zijn stijl.

All We Grow past prima tussen het werk van Bon Iver en Volcano Choir, maar kiest toch zijn eigen pad. S. Carey toont zich vooral een compositorisch talent die de capaciteit bezit zijn werk ook over te brengen. Dat maakt zijn solodebuut een sterke opening.

Read more...

Philip Selway - Familial

Thom Yorke ging hem voor, maar nu is de beurt aan Philip Selway (drummer van Radiohead) om zijn soloproject te lanceren. In zekere zin werd de grondslag daarvoor gelegd in 2001 toen onder leiding van Neil Finn een album werd opgenomen voor het goede doel, waaraan een scala aan bekende namen deelnam. Na een herleving van dit project in 2008, in een iets afwijkende hoedanigheid, trad Philip Selway voor het eerst op als zanger in zijn song The Ties that Bind Us. Dit nummer vinden we terug op Familial, zijn solodebuut.

Na de projecten met Neil Finn vonden nieuwe opnamesessies plaats in Courtyard Studios van producer Ian Davenport. Philip Selway nodigde Germano, Steinberg, Glenn Kotche (Wilco) en multi-instrumentalist Patrick Samsone uit om met hem Familial te maken. Tezamen hebben deze muzikanten rijk verleden in rockmuziek en toch blijft Philip’s album zeer ver verwijderd van dit genre. Familial is veel eerder lieflijk en mooi te noemen met uiterst stille en cerebraal resonerende nummers. Dat staat gelijk in scherp contrast met collega Thom Yorke’s werk. Wat betreft stem en sfeer komt Philip Selway soms in de buurt van Scott Matthew. In alle soberheid en door de iele klankkleur is Familial wel minder expressief. Met de meest excentrische melodielijnen schurkt hij aan tegen bands als Ghost Trucker. Over het geheel spreekt Philip de uiterst ingetogen kant van singer-songwriters als Damien Rice of Doveman aan, ontdaan van alle bombast of orkestratie. De arrangementen moeten het meer hebben van diverse transformerende texturen dan van uitgesproken lijnen. Deze zijn bovendien met licht wervelende en los fladderende tonen en korte harmonieën geaccentueerd. Voor een toonaangevende drummer is het opvallend hoe beperkt de rol van percussie is.

De meeste acts die zich op eigen wijze laten inspireren door het bijzondere werk van Radiohead worden enthousiast onthaald. Die invloed is zo breed uitgewaaierd dat het onmogelijk is deze niet ook te herkennen op Familial. Dit hangt echter niet als een zware schaduw over de plaat heen. Gezien de grotendeels akoestische singer-songwritermethode was Bella Union er natuurlijk als de kippen bij. Als het bovenstaande nog geen aanbeveling was, is dit gegeven ongetwijfeld bepalend.

Read more...

Travels - Robber on the Run

>> woensdag 21 juli 2010

Travels is al enkele jaren een goed bewaard geheim. Robber on the Run is reeds hun derde studioplaat en toch de eerste die mij onder ogen komt. Het feit dat Robber on the Run via het excentrieke kwaliteitslabel Own Records komt, helpt. Beluistering toont aan hoe fijn het is dat dergelijke geheimen bestaan.

Robber on the Run bestaat uit elf sadcore miniaturen die allen onder de drie minuten klokken. Binnen die kleine drie minuten gebeurt erg veel dat tot stand komt door bijzonder weinig. Duo Mona Elliot en Anar Badalov stressen zich niet over complexe composities, maar doseren de muzikale middelen met spannende precisie. Daarbij hebben ze het lef om in de haast fluisterende songs uitgesproken atypische middelen als noise en rauwe gitaren te gebruiken. Natuurlijk blijft dit zeer sterk gecontroleerd en zo weten ze zelfs uit relatieve herrie mooie melodieuze elementen te scheppen. Ondanks de korte duur van de nummers geven ze telkens een prachtig geconcentreerde sfeerimpressie. Ze bouwen razendsnel een rustige melodielijn op die ze in de song al zoekend blootgeven en dan direct weer verlaten. Daardoor bevindt de dynamiek op het album bevindt zich meer tussen de verschillende nummers dan in de nummers zelf en krijgt Robber on the Run enigszins het karakter van een conceptplaat. Dat is dan wel een zeer goed beluisterbare conceptplaat, want de duistere schoonheid van akoestische snaren, piano, rockerige synths en gelaagde vocalen weet de luisteraar moeiteloos aan zich te binden.

Waarschijnlijk voldoet Robber on the Run nooit exact aan iemands verwachtingen, maar dat heeft het album ook niet nodig. Travels maakt met hun derde een uitzonderlijk muzikaal document dat juist in de werkwijze een zeer eigen weg kiest.

Read more...

Cherry Ghost - Beneath this Burning Shoreline

>> zondag 18 juli 2010

Debuutplaat Thirst for Romance was in vele opzichten een opmerkelijk sterk begin van Cherry Ghost. Toch bleef de tot band verworden singer-songwriter hier enigszins onder de radar. De zwart romantische sfeer die bluesy americana invloeden mengde met een typische Britse indiepopinslag leverde enkele schier perfecte ballads op die gerust een aantal maal op repeat gingen alvorens het album als geheel nog eens een speelbeurt te geven. Tot op heden blijft Thirst for Romance een idiosyncratisch genoegen dat zijn houdbaarheid nergens verspeelt. Met die kennis in het achterhoofd rust er een last op de schouders van opvolger Beneath this Burning Shoreline.

Openingsnummer We Sleep on Stones neemt alvast veel zorgen weg. Het karakteriseert het geluid van Cherry Ghost met voortgezette zelfverzekerdheid in de bepalende stijlen. Twee toergenoten zijn uitstekend geschikt om het geluid te beschrijven. Cherry Ghost’s songs houden vaak het midden tussen een zwaar en donker romantisch klinkende Doves met een americana noir kwinkslag van duister Bill Callahan werk. Tegelijkertijd is ook Elbow niet ver weg. De meest opvallende ontwikkeling zit dus niet in een stijlomslag, maar in de groei van het bandgeluid. Die groei is subliem opgetreden. Cherry Ghost heeft alle verlegenheid van zich afgeschud om het theatrale drama en de euforische hoop van al hun songs verder te verscherpen. De wijze waarop het grootsere geluid wordt ingezet, behoudt en verdiept de complexiteit van de arrangementen. Bovendien klinken deze uitzonderlijk helder waardoor, ondanks stevig aangezette lome lagen en diep rommelende ritmes, alle instrumentale details naar voren springen. Dat levert een perspectivisch geluid op dat de obscuur verweerde vocalen en onderstromen schitterend complementeert. Zanger Simon Aldred toont zich wederom een onbetwiste meester. Cherry Ghost charmeert als een romantisch sprookje iedere song opnieuw, maar is daarin bedrieglijk met zwarte thema’s als godslastering, verlies en spijt. Ondanks variërend opgewekt klinkende ritmes en hoopgevende, verleidelijke melodieën lijkt Cherry Ghost zelfs niet altijd het beste met ons voor te hebben.

Beneath this Burning Shoreline is in feite een opvolger uit het boekje. Thirst for Romance maakte een diepe, blijvende indruk en kon daarvoor leunen op het eenmalige verrassingseffect. Beneath this Burning Shoreline geeft de luisteraar echter precies hetzelfde unieke eurekagevoel. Cherry Ghost komt in rap tempo in het zicht van eigenzinnige Britse indiefavorieten en doet dat vooral door hun eigen weg te volgen. De hulp van Dan Austin (o.a. Doves en Massive Attack) heeft de incanterende eigenschappen van het album volstrekt onweerstaanbaar gemaakt. Hopelijk lokt dat ook de ongelovigen uit te luisteren. Beneath this Burning Shoreline is dubbelzinnig weldadig.

Read more...

Perfume Genius - Learning

>> woensdag 14 juli 2010

De muziek van Perfume Genius, oftewel Mike Hadreas, lijkt te zijn geboren uit het grote aandeel ellende dat hem ten deel is gevallen. Zo kreeg hij op zijn jonge leeftijd al te maken met misbruik, verslaving en zelfmoord. Het album artwork lijkt te symboliseren hoe Mike Hadreas zich verstopte voor deze problemen, maar ook, middels de muziek, zijn gezicht weer laat zien. Het nummer Learning leidde de omslag naar creativiteit in, waarna een periode volgde waarin hij constant aan het schrijven was. De liedjes laten een spookachtig folkgeluid horen in typerende timide singer-songwriterstijl met een tegelijk tedere en angstaanjagende sfeer. Het titelnummer opent het album met een extreem eenvoudig lijntje van pianoakkoorden dat van Sufjan Stevens afkomstig had kunnen zijn. Verder profileert de plaat zich met een zeer blikkerige lo-fi productie die tezamen met de folky eenvoud Peter & the Wolf in herinnering roept. Mike Hadreas lucht als Perfume Genius zijn hart en die oprechtheid alsmede de onstopbare drang om liedjes te schrijven maken Learning een aangrijpend album. De pure muzikaliteit is hieraan enigszins ondergeschikt geraakt, hoewel zijn sobere folkpop met vergruisde vocalen een zekere charme heeft die de interesse van de luisteraar vasthoudt.

Read more...

Doelstelling van deze blog

Meer aandacht voor het (nog) onbekende. In tenui labor of toch niet?

Mededelingen

Donderdag 1 juli: deze week weer een frisse herstart verwacht.
Kort reces tot 13-05-10.
Na een kort reces vandaag (24-02-10) weer aan de post. Inmiddels is deze blog twee jaar geworden!
Gedurende december zullen er minder recensies worden geschreven
21-31 augustus: tijdelijk even geen recensies ivm een kort reces
Zondag 14 juni: Creative Commons licentie BY NC ND van toepassing op alle inhoud
Woensdag 3 juni: zoekfunctie en auteursrechtenonderdeel toegevoegd
Dinsdag 19 mei: template aangepast, hopelijk verbeterd
Vrijdag 15 mei: nieuw template; ontwikkeld door Ourblogtemplates.com, 2008

Auteursrechten

© Copyright Benjamin N. Vis

Uitgezonderd waar anders vermeld, is op alle inhoud van deze blog een Creative Commons Attribution 3.0 License van toepassing. Deze is hieronder gespecificeerd als CC BY NC ND. Voor meer informatie klik op de links aldaar.

  © Blogger templates Inspiration by Ourblogtemplates.com 2008

Back to TOP  

Creative Commons License
werk van Benjamin N. Vis, Nieuwe Geluiden is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-Niet-commercieel-Geen Afgeleide werken 3.0 Nederland licentie.