Posts tonen met het label band. Alle posts tonen
Posts tonen met het label band. Alle posts tonen

Esmerine - La Lechuza

>> vrijdag 8 juli 2011

In bepaalde kringen hebben de bands Godspeed You! Black Emperor en Thee Silver Mt. Zion grote faam vergaard. Toch zullen in die kringen nog steeds velen niet weten dat percussionist Bruce Cawdron en celliste Beckie Foon al tien jaar lang daarnaast vooruitstrevende neoklassieke muziek maken als Esmerine. La Lechuza is het eerste album van de groep rondom dit tweetal in maar liefst zes jaar. Het is opgedragen aan de verleden jaar overleden singer-songwriter Lhasa de Sela, eveneens een opmerkelijke muzikante. In meerdere opzichten is La Lechuza vernieuwend voor Esmerine. De groep is gegroeid met onder andere harpiste Sarah Pagé en percussionist Andrew Barr. Andere bijdragen komen van Colin Stetson en Sarah Neufeld (Arcade Fire, Bell Orchestra).

Hoewel de ontwikkeling eerder een evolutie betreft dan een omslag is het effect aanzienlijk. Neoklassiek is een subgenre dat weliswaar geleidelijk aan aanhang wint, maar toch behoorlijk exclusief blijft. La Lechuza slaat echter middels deze lofrede een brug naar een ruimer publiek. Enkele composities die hun plaats op dit album hebben gevonden, volgen voor een belangrijk deel de regels van de onafhankelijke en eigenzinnige popsong. Het is dan ook weinig opmerkelijk dat juist Patrick Watson (bovendien een goede vriend van Lhasa) gastvocalist is. Esmerine’s muziek is veel ingetogener dan Watson’s eigen stijl en zijn vocalen zijn dan ook betrekkelijk bescheiden aanwezig. Het effect, zoals gezegd, is echter aanzienlijk. La Lechuza toont Esmerine in de grootse rijkdom aan klanken sinds de oprichting. Lhasa is niet alleen aanwezig in geest, maar postuum ook in de creatieve richtingen die voor dit album werden gekozen. De uitbreiding van de band is mede aan Lhasa’s visies te danken. Met die invloed zijn gelijk de soms volkse ritmesecties en wereldlijke accenten in de composities verklaard. Juist door de neoklassieke jas van Esmerine raken deze voldragen en krijgt het volkse een prachtige diepte die raakt aan de dramatiek in Lhasa’s eigen werk. Overigens horen we zelfs Lhasa zelf nog terug op het slotnummer, een niet eerder uitgebrachte versie van Fish on Land.

Esmerine beweegt zich in de kringen van Rachel’s, Clogs, de atmosferische werken van Balmorhea en zelfs iets van de intense nieuwe jazzklanken van het Portico Quartet. Het blijft daarin meer een dynamisch ensemble dan veel werk van minimalistische neoklassieke componisten. La Lechuza is een zachtjes kabbelend en tegelijk onverzettelijk meeslepend album waarin met name de nummers met medewerking van Patrick Watson ook ieder pophart zullen doen smelten. Het is nergens eenvoudig effectbejag, maar schittert telkens in fijnzinnig opgebouwde structuren en sequenties. La Lechuza is evengoed een mooie emotionele elegie als een fiere stap in een creatieve ontwikkeling.

Read more...

Dark Dark Dark - Wild Go

>> dinsdag 24 mei 2011

De opvolger van het uit 2008 stammende The Snow Magic waarvan mij toen geen nieuws bereikte, werd vooraf gegaan door de EP Bright Bright Bright. Daarmee werd een statement afgegeven dat positief werd ontvangen. Vandaar de de oren inmiddels waren gespitst voor de echte opvolger van kamerpopband Dark Dark Dark: Wild Go. Van dat album werd de single Daydreaming reeds gebruikt in de successerie Grey’s Anatomy, hetgeen meer dan eens een voorbode van consolidatie is.

Dark Dark Dark kenmerkt zich door het eigenzinnig combineren van stijlen en hun wat recalcitrante en prikkelende perspectieven. Vanaf de eerste minuut pakt Wild Go de aandacht. De percussiezware opening ontwikkelt zich tot een interessant en divers nummer. Hoewel misschien de vocalen de luisteraar niet direct met schoonheid voor zich winnen, contrasteren ze mooi met de akoestische arrangementen waarin accordeon, strijkers, piano en slagwerk samensmelten. Een vurig vervolg kan worden verwacht, maar Dark Dark Dark laat hun dynamische kant zien door voort te gaan met het beladen Daydreaming. Zes man sterk buit de band alle kanten van hun bezetting uit bijgestaan door accentuerende koortjes. Na de ietwat schelle vocalen van Nona Marie Invie is de afwisseling met de zachte vriendelijkheid in de intonatie van Marshall Lacount in Heavy Heart welkom en spoort ook Nona aan om een meeslepend melodisch stuk weg te geven in Celebrate. Wild Go is een album dat zijn invloeden haalt uit volksmuziek, kamermuziek en vanzelfsprekend goede popsongs. Dat is geen ongehoorde combinatie en toch neemt Dark Dark Dark met opvallend meesterschap en variatie afstand van vele collegae. De akoestische bezetting doet de songs tijdloos klinken, terwijl het zweempje theater juist eigentijds aandoet, zoals het mooie Something for Myself toont.

Dark Dark Dark levert een glorieus staaltje ensemblepop af, opgesierd door een aangenaam zonderlinge experimenteerdrift die slim de muzikale spanning vasthoudt. Wild Go is een album dat zich thuis voelt bij serieuze muziekliefhebbers, maar ook geen brug te ver is voor de eenvoudige genieter. Het sextet weet precies wat goede muziek moet doen en overtuigt ieder nummer opnieuw zonder nodeloos te dramatiseren.

Read more...

Thousands - The Sound of Everything

>> zaterdag 21 mei 2011

The Sound of Everything is geen album waar veel woorden aan moeten worden vuil gemaakt. Dit om de simpele reden dat het duo Thousands een zeer pure benadering van muziek offreert. Kristian Garrard en Luke Bergman beperken de middelen voornamelijk tot akoestisch gitaarspel en vocalen. Daarbij zijn imperfecties en het doorsijpelen van fieldrecordings toegestaan, evenals een sporadisch gastinstrument. In beginsel precies die ingrediënten van muziek die spontaan ontstaat en eigenlijk niet op een podium thuishoort. Naar The Sound of Everything luisteren is bijna voyeurisme.

Toch verdient de plaat het juist om te worden bejubeld. Zelden wordt er nog muziek aan een plaat toevertrouwd die tegelijkertijd zo organisch en traditietrouw klinkt en daarbij een sierlijke eenvoud toont die speelt met muzikale complexiteit. Thousands heeft de simpelste liedjes op The Sound of Everything gezet. De twee heren zijn begiftigd muzikanten, maar laten toe dan hun gecontroleerde ambitie menselijke zwakheden demonstreert. Het is haast onvoorstelbaar dat het duo zich op plaat en niet ergens in een geborgen wildernis bevindt. Thousands maakt de liedjes die opkomen tijdens stille wandelingen door bos, hei en duin. De dynamiek belichaamt het gevoel dat je in bevangen enthousiasme ervan weerhoudt te schreeuwen omdat dat geen effect zou hebben. Thousands verstaat de troubadours van de jaren ‘60s, maar verwerkt evengoed muzikale patronen die neigen naar vooruitstrevend klassiek. Vrijwel ieder lied heeft verrassende melodische momenten en creëert een ingehouden spanning door dissonanten op te zoeken of juist op te lossen. Het samenspel is daarbij een absolute lust voor het oor.

The Sound of Everything schittert door de eenvoud van Thousands’ aanpak. Het is muziek die gaandeweg het gemoed besluipt en daardoor een diepe indruk lijkt te hebben achterlaten ondanks alle subtiliteit.

Read more...

Glasser - Ring

>> maandag 16 mei 2011

Soms moet je terugkijken om bij de tijd te blijven. Glassers debuut Ring stamt van vorig jaar, maar het frisse geluid dat daarmee de wereld in kwam verdient ook nu nog aandacht. Gelukkig waren daar de opmerkingen van radiohost Guy Garvey (Elbow) om me de weg te wijzen.

Glasser was enige tijd het soloproject van Cameron Mesirow. Voor het album stal ze de show met het episch klinkende Apply dat uit niet veel meer bestond dan de geprogrammeerde beats uit het Apple programma GarageBand en haar hoge vocalen. Op Ring is Glasser uitgegroeid tot een stevige band om het veelal elektronische geluid aan te vullen. Hoewel beats en vocalen de hoofdingrediënten blijven vormen, heeft Glasser de arrangementen van plezierig volronde uiteinden voorzien. Het nummer Apply is ook voor de plaat een sterke binnenkomer. Het is direct duidelijk dat Glasser niet een doorsnee singer-songwriterproject betreft. Aan de vrouwelijke kant van dat genre bevindt ze zich tussen de venijnigheid van het strijdbare Bat for Lashes en de romantiek van de grootse pop in Florence + the Machine. Dat benadrukt de eigenzinnigheid van haar muziek, hoewel denkbaar is dat de grootse beats het ook bij een wijd publiek goed zouden kunnen doen. Het is opmerkelijk hoe Glasser in staat blijkt van rechtlijnige middelen als pregnante percussieloops en synthetisch overgeproduceerde melodielijnen simpelweg met haar lichte, bezwerende vocalen een haast organische psychedelische luisterervaring te creëren. Die karaktertrek wordt op het debuut flink uitgebuit.

Ondanks de aandacht vragende en fascinerende trips is het de vraag hoe het met de houdbaarheid van dergelijk geluid is gesteld. Dat gezegd zijnde, is juist door het gebruik van snel ontwikkelende software de muzikale tijdsgeest goed gevat en kan Ring daarmee een uitstekend historisch document blijken. Glasser heeft in ieder geval bewezen talent te bezitten, hetgeen zich uit in een origineel geluid waar zeker ruimte voor groei in zit, zij het misschien minder in absolute zin. De tribaal dronende beats en de wervelende folky vocalen gonzen in ieder geval in een aangenaam warme roes na.

Read more...

Fuzzy Lights - Twin Feathers

>> zaterdag 14 mei 2011

Door de alsmaar groeiende invloed van het internet is het een tijd geleden dat ik het genoegen smaakte een album te kopen daartoe geïnspireerd door het artwork in een rasechte onafhankelijke plantenzaak. Deze eer valt Fuzzy Lights nu ten deel. Fuzzy Lights blijkt achteraf minder obscuur dan misschien gedacht. Sowieso is Twin Feathers al hun tweede album en ook waren er enkele EPs. Daarnaast kregen ze door critici binnen het postrock genre, hoewel dat misschien een beperkte groep betreft, zeer positieve recensies.

Postrock kan veel omvatten en ik ben zeker geen adept van de traditionele of zware rock. Het is dan ook een plezier te merken dat Fuzzy Lights iets originelers voorstaat. De zwierige opener Obscura roept een dromerige, donker romantische sfeer op die Saint-Saëns een geliefd componist maakte. Daarbij valt de hoofdrol die de viool krijgt op. Een belangrijk stijlelement van Fuzzy Lights’ muziek is kennelijk het combineren van klassieke en akoestische klanken met de geluidswallen die rockende gitaren en drums kunnen opwerpen. Daarmee ontstaat een interessante balans die dynamisch wordt gebruikt in de veelal door minimalistische repetitie opgezette composities.

Zoals het de postrock betaamd is er behoorlijk wat ruimte voor instrumentaal werk, dus is het een bijzonder genoegen de prachtig heldere stem van Rachel Watkins te horen op Fallen Trees, terwijl Xavier Watkins op Through Water juist met een donker prevelen de genrebenoeming vereert. De minimalistische compositie The Museum Song is een moderne lofrede op traditionele Britse folk. Vervolgens raak je vervoert door de schitterende combinatie van viool, harmonium en contrabas in Lucida. Dat doet denken aan een mix van de filmmuziek van Preisner en de hartverscheurende songs van Moddi. Rituals blijkt geënt op een verrassend standaard, ietwat vlakke ballad, die desondanks goed in het geheel past. Naar het eind van het album verliest Fuzzy Lights echter de urgentie waarmee het Twin Feathers was opgezet. We horen in Shipwrecks gelukkig nog even de stem van Rachel, evenals in afsluiter The Sea and the Heather. Er volgt helaas geen muzikale of emotionele apotheose meer, waardoor de spanning van het album enigszins onbehandeld afglijdt. De kans laat op een zinderend eind laat men liggen.

Twin Feathers moet daarom als album superlatieven ontberen, terwijl de band die zeker verdient. Binnen het omarmde postrock genre vindt Fuzzy Lights een eigen pad. Dat levert erg mooie composities op. Om in trance te raken hebben we (gelukkig) trance niet nodig. Het is jammer dat Twin Feathers slechts afloopt met een lui ontwaken.

Read more...

Wild Beasts - Smother

Het Britse Wild Beasts, dat zichzelf uitriep tot het intellectuele antwoord op traditionele arbeidersklassebands, is een band die al op het vorige album, Two Dancers, de weg naar volwassenheid inzette. Het tweetal dat aan de basis staat, Hayden Thorpe en Ben Little, hebben zich vanaf het begin van Wild Beasts laten inspireren door de ‘hogere’ kunsten, hetgeen zelfs terugkomt in hun bandnaam (Wild Beasts is een reïncarnatie van het Franse Fauvisme dat kon worden omschreven als een expressieve vorm van het realisme in impressionisme). Wild Beasts zet met Smother hun interessante combinatie van referenties die velen zullen ontgaan en pakkende indiesongs voort.

De regelmatig terugkerende vergelijking (door hun beider Mercury Prize nominaties) met het ondynamische en ongeïnteresseerde geprevel van The XX is misplaatst. Die band lijkt meer de frustratie van de huidige generatie latente jonge honden weer te geven, vervlakt door de ongemeend betrokken emoties in de sociale media van alledag. Wild Beasts daarentegen maakte van hun debuut een epische exclamatie van een frisse theatrale stijlconventie, die de gedoodverfde oppervlakkigheid van de Britse arbeidersbands moest tegenspreken. De literaire interesse van het duo sprankelde in hun songs en is op dit derde album even sterk aanwezig. Natuurlijk heeft het geen zin de oorspronkelijke schreeuw te herhalen en dus deed Wild Beasts dat ook niet op Two Dancers. Het gebeurt evenmin op Smother.

In plaats van hun huidige succes op de spits te drijven, zochten de mannen mogelijkheden om hun sound onderweg met de creatief uitpakkende beperking van elektronica door te vormen. Het resultaat is een understated versie van hun kenmerkende sound. De classificatie ‘understated’ moet dus niet worden verward met vlak. Zodra de vocalen over de monotone glijden is de captiverende dynamiek van de band volledig terug. De meest toepasselijke relatie met The XX is als tegenpool. Smother moet het niet hebben van de onmiddellijk ademstokkende songs van de voorgaande albums. De aard van deze plaat is meer sinister. De krachtige overreding zit in expressieve schakeringen die slim zijn gedoseerd over de solide, van minimalistische patronen doordrenkte, basislagen. De ambiguïteit van de afwisselend diepe vocalen en falset, wordt hier versterkt door de repetitieve tegenstelling van arrangementen en vocalen. Op deze manier krijgt het dubbele gezicht van het Fauvisme een nieuwe lading.

Wederom maakte Wild Beasts een album dat getekend is door charmant, avant-gardistisch iconoclasme. Met dit album vergroot het de afstand tot theatrale alternatieven als The Irrepressibles en zal wellicht beter de weg vinden tot introspectieve shoegazers. Het is opmerkelijk hoe dichtbij Wild Beasts de twee typen bezweringen laat lijken. Ondanks de omvang van hun prestatie, betwijfel ik de kansen op een nog groter publiekssucces. Muzikaal intellect als gevolg van een kleinere aanpak wordt zelden beloond. Aan de andere kant kan de arm van positieve kritieken sterk genoeg blijken. Hoe het ook uitpakt, Wild Beasts doet juist als gewaardeerde underdog hun kunstzinnig eerbetoon recht.

Read more...

Fleet Foxes - Helplessness Blues

Een anticiperende stilte overheerst voordat een band die liefhebbers en critici moeiteloos voor zich won een nieuw album uitbrengt. Helplessness Blues is inmiddels alweer enige tijd aan de publieke opinie overgeleverd. Voor de muzikanten zelf geldt dat echter al sinds hun EP Sun Giant. Na het geweldige indiesucces dat de eponieme debuutplaat bracht, moet het voorman Robin Pecknold duidelijk zijn geweest dat alleen volledige overgave Fleet Foxes in nieuwe richtingen kon dwingen. Naar verluidt uitte deze toewijding tot het beëindiging van zijn relatie. Een offer dat Helplessness Blues ten goede lijkt te zijn gekomen.

De ontwikkeling is samengevat in de eerste lijn van openingsnummer Montezuma: “So now I’m older”. Ouder worden heeft tot effect gehad dat de jeugdige bravoure van de beginnende band is vervangen door een subtielere aanpak van hun stijl. Hoewel minder bevangen door euforie presenteert deze ontwikkeling zich ook in krachtig bestierde stijlexperimenten. Geen zorgen voor de fans, want hun inmiddels iconische herinterpretatie van het communale gevoel van selecte jaren ’70 folk is gebleven. Daarbinnen vindt Fleet Foxes nieuwe wegen. Wederom zijn die getekend door het rijpen van de artistieke grondslag.

Boven alles heeft Fleet Foxes een intiemere sfeer gecreëerd die is getekend door openhartige persoonlijke ontboezemingen. Ondanks de persoonlijke gevoelens worden de songs nog regelmatig als groepshymnes gebracht. Op die momenten komt de dynamiek van hun ongeëvenaarde koralen tot leven. Één van de prachtigste voorbeelden daarvan is het haast religieuze Plains/Bitter Dancer. Fleet Foxes zou niet bestaan zonder folk, met name die folk die de cosmovisie van de Amerikaanse culturele smeltkroes uitdrukt. Fleet Foxes zou echter ook niet bestaan zonder klassieke koormuziek, kamermuziek en psychedelica. Dit culmineert in het langzaam opgebouwde The Shrine/An Argument dat uiteindelijk overspoeld raakt van ontroerende muzikale motieven. Vooral omdat dit nummer aanvankelijk werkt als een klassieke ballade voert het de emotionele druk op voordat er een epische ontlading volgt. Onwillekeurig wordt de luisteraar meegezogen in het emotionele appèl dat direct aan ons gericht lijkt. Robin Pecknolds herkenbare romantische pogingen in het reine te komen met zijn karakter worden weerkaatst in de vooruitstrevende composities, hetgeen dat web verder aanspant.

Helplessness Blues is niet alleen een token van muzikaal meesterschap, het belichaamt een van inspiratie vervulde band. Het begeesterd leiderschap van Robin Pecknold heeft de vruchten van de creatieve arbeid nog zoeter gemaakt. Groot zijn de muzikanten die gevoelens zo toegankelijk weten over te brengen. Fleet Foxes heeft een stilistisch dialect ontwikkeld dat leunt op nostalgie waarvan zelfs jongere muziekliefhebbers zijn doordrongen. Het is bijna onvoorstelbaar dat iemand totaal onbewogen naar Helplessness Blues kan luisteren. Het hypnotiserende effect van hun debuut deed genieten. Helplessness Blues nodigt uit tot afdalen naar diepere lagen van de ziel.

Read more...

The Leisure Society - Into the Murky Water

>> zaterdag 7 mei 2011

Na vele jaren van diverse projecten en vooral veel tegenspoed verwerkte Nick Hemming alles in songs van een ongekende pracht. Gezien het voorgaande was hij enigszins verbaasd toen in de formatie van The Leisure Society zijn talent plotseling wel ongereserveerd werd opgepikt. Debuutalbum The Sleeper werd een indiesucces en met name het nummer The Last of the Melting Snow werd terecht de hemel in geprezen. Door het succes rust het gewicht der verwachting op het vervolg Into the Murky Water.

The Sleeper was door de geschiedenis charmant bescheiden van opzet. Daar vinden we een belangrijk verschil met Into the Murky Water. The Sleeper was een onverwachts succes en dat staat op gespannen voet met het voortzetten daarvan. Into the Murky Water wordt getekend door de nieuw gevonden zelfverzekerdheid en is, waar functioneel, grootser opgezet hetgeen vooral de popkant van hun geluid aanspreekt en minder de folk, die nog altijd zegeviert in voormalige thuishaven de Willkommen Collective. Ondanks de totaal andere basis waarop dit album werd geschreven, houdt songschrijver Nick Hemming het verwantschap met het voorgaande in stand. The Leisure Society was een naam die paste bij het geluid, maar ten tijde van het debuut de achtergrond verloochende. Nu is dat meer in balans. Toch is de toonzetting van de teksten soms desolaat of gelaten en daarmee wordt toch nog altijd niet het relatief zorgeloze geluid van de arrangementen geëchood. Die donkere onderstroom is haast niet weg te denken bij het eigenzinnige karakter van The Leisure Society. Zelfs het opgewekte This Phantom Life krijgt dat mee. Waarschijnlijk vindt daar de intelligente, poëtische spitsvondigheid zijn oorsprong. Het is een merkwaardig huwelijk dat wonderwel werkt.

Zoals altijd met een goed vervolg dat eveneens een eerbetoon vormt aan een opvallend verleden is de verrassing kleiner. Gelukkig heeft The Leisure Society een ontwikkeling doorgemaakt die even goed te herkennen is als aansluit bij het geliefde geluid. Het is mogelijk zelfs nog uitnodigender op deze smetteloze opvolger. Into the Murky Water is zonder meer een must voor grote scharen die zich in bovenstaande gepresenteerd voelen. De lente is uitstekende timing voor een plaat die dat oer-Nederlandse woord gezelligheid belichaamt. Ontspannen en genieten zijn hier understatements.

Read more...

The Dodos - No Color

Vergeet Vampire Weekend, Yeasayer, namen die zo’n beetje gelijk staan aan percussiezware pop en Afrikaanse polyritmiek, The Dodos kunnen met dergelijke invloeden beter uit de voeten. Overdonderden ze nog met Visiter, op Time to Die namen ze gas terug. No Color is weliswaar één van die zeldzame albums waar ik moeilijk bij stil kan blijven zitten, toch biedt het een aardige mix van de overrompelende energie op Visiter en de meer bedachtzaam geconstrueerde songs op Time to Die. Dat alleen is voldoende aanbeveling.

The Dodos brengt ons muziek die minder hypegevoelig is dan voornoemde namen. Ze maken gebruik van de percussieve invloeden, maar later zich er minder door leiden. Zoals White Rabbits meer richting poprocksongs neigt, sluit The Dodos nog steeds aan bij schone pop als van The Acorn. Dat levert interessantere muziek op die dus nog evenzeer in staat is de botten te laten rammelen. Hoogtepunten zijn onder andere het van subtiliteiten doorspekte Sleep, een aanstekelijke song als Don’t Try and Hide It en gelaagde afsluiter Don’t Stop. The Dodos geeft het syncopatische, tribale karakter wat verfijning, niet in de laatste plaats door intrigerende omslagen, melodielijnen en geoliede samenzang waar nodig zonder over te gaan tot rockerig feestnummer. Bovendien horen we op No Color weer van die pakkende ideeën met vingervlug gitaarspel dat prima samenvloeit met de weelderige ritmes. Ondanks alle woorden van lof ben ik aan het eind van No Color toch minder geraakt dan ten tijde van Visiter en Time to Die. Een kleine smet waarmee ik ze maar snel laat wegkomen.

Read more...

The Dears - Degeneration Street

Muziek en een post hier zijn lang overtijd. Daarom een stevige wekker in de vorm van het laatste album van The Dears: Degeneration Street. Na een bijna dood ervaring van de band voor voorgaand album Missiles ging de band in afgeslankte vorm verder onder leiding van Murray Lightburn. Door Murray’s gedrevenheid was Missiles geen beroerd album, maar mistte wel de dynamische, muzikale diepgang die het eerdere werk zo aantrekkelijk maakte en in mijn ogen het succes waarborgde. Degeneration Street wordt na het relatief stil voorbijgaan van Missiles weer met de nodige ruchtbaarheid gepresenteerd.

Met veertien nummers is het huidige album goed gevuld en het weinig subtiele bombast in de songs geeft het gevoel dat Murray vooral een hoop van zich af moet zingen. Hoewel in het geweld zelfs zijn prominente stemgeluid soms bijna verzuipt, was het altijd een typisch The Dears kenmerkt om een stevige indierockklank in plezierige ballads te verwerken. Degeneration Street opent confronterend. 5 Chords is helaas zo simpel als de titel doet vermoeden, maar Omega Dog, Blood en Thrones leunden op de gebruikelijke troeven: melodie en emotie. Op deel twee (van het in vier delen gesplitste album) wordt het tempo en ook iets van het volume teruggeschroefd. We moeten alleen net iets te lang wachten op het mooie Galactic Tides en het klassieke en springerige Yesteryear. The Dears vermaakt echter vrijwel zonder uitzondering met intensiteit en leuke onderliggende lijntjes. Na Yesteryear is de rest van deel drie weer wat onbestendig, terwijl er sterk wordt afgesloten met de variëteit in deel vier.

Uiteindelijk blijft de afslanking van The Dears nog altijd ook afvlakking. Dat wordt op punten overgecompenseerd op Degeneration Street. The Dears heeft echter een talent voor goede (indierock)songs en Murray is een overtuigend zanger. Dat maakt dit album veel meer de moeite waard dan de initiële doorstart met Missiles. Rustpunten en een mooiere invulling van hun geluid maken dat de band weer op weg lijkt hun verloren plaats te claimen. Er is nog wel een weg te gaan, maar die kunnen we met goede moed tegemoet zien.

Read more...

The Unthanks - Last

>> zondag 27 maart 2011

Het ensemble dat sinds het vorige album Here’s the Tender Coming als The Unthanks (naar de twee zussen die aan de basis van de formatie staan) door het leven gaat, profileert zich voornamelijk met herinterpretaties. Het woord cover dekt hier echt de lading niet.

In eerste instantie vinden we traditionele volksliedjes die zorgvuldig zijn omgevormd tot muzikale hoogstandjes met hedendaagse bloedlijn. Dat uit zich niet in de voornamelijk klassieke akoestische bezetting van de groep, maar vooral in de arrangementen en subtiele intonatie van de vocalen. Daarin vinden we een meesterschap dat de oorspronkelijke traditionele melodieën tot ver boven hun gebruikelijke uitvoeringen laat uitstijgen. Het is even meeslepend als fascinerend om te horen. Op Last horen we veel terug van de vaste pianist van The Unthanks, Adrian McNally, die ook het titelnummer schreef. Dit lied doet meer aan als een popsong. Er zijn meer alternatieve keuzes. Zo vinden we een cover van Jon Redfern (een nog relatief onbekende singer-songwriter), Tom Waits, King Crimson en een van oorsprong theaterlied van Alex Glasgow. Enkele composities worden op dynamische wijze uitgerekt. Alleen al op die manier krijgen ze een ander karakter dan een eenvoudig liedje.

The Unthanks tonen op Last nogmaals dat hun unieke muzikale visie verstrekkende gevolgen kan hebben. Ongeacht oorspronkelijk genre weet het ensemble ieder lied mooi en aantrekkelijk te laten klinken. Over het hele album wordt naar schoonheid gestreefd die als vanzelf verankert lijkt in de arrangementen. Waar het de ‘quirky’ oubolligheid van traditionele melodieën betreft, geeft The Unthanks ze de kracht weer vele jaren mee te gaan. Laten we hopen dat de albumtitel slechts verwijst naar het gelijknamige nummer. The Unthanks maken een volstrekt eigen en zeer welkome aanvulling op het hedendaagse muzikale spectrum.

Read more...

Treefight for Sunlight - Treefight for Sunlight

>> zondag 13 maart 2011

Het Deense Treefight for Sunlight zwemt tegen de stroom in. Ze kijken niet vooruit, maar terug. Daarnaast is het niet hun bakermat die doorklinkt in hun debuut, maar de westkust van Californië. Die westkust zag vooral in de jaren ’70 enkele muzikale iconen opkomen. Dat is precies waar Treefight for Sunlight de mosterd haalt. Vanaf dat moment kan het vriezen of dooien. Immers, wie zit er nog te wachten op wat veertig jaar terug in zwang was? Luister naar dit compacte debuut en je beseft dat er geen nostalgie nodig is om voor dit geluid je huis uit te komen.

Treefight for Sunlight debuteert met een onweerstaanbare en geniale herinterpretatie van het geluid van de jaren ’70. Natuurlijk is het geen volledige kopie, maar zijn er ook recentere decennia in terug te horen. Het is echter volstrekt onnodig deze muziek te ontleden. De gematigd psychedelisch gedrapeerde lagen met plezierig lichte samenzang van de drie frontmannen (jawel, even goddelijk als het Romeinse consulaat) overheersen de plaat. Hoewel het idee dat Treefight for Sunlight springerige vrolijkheid en zorgeloze zonneschijn biedt hardnekkig vanaf het begin wordt gehandhaafd, wordt de band er ook mee tekort gedaan. De composities zijn veel uitdagender dan glimlachliedjes. De songs zijn een soort korte, intense symfonieën. In rap tempo worden deze op je af gevuurd. Een lot dat menigeen maar graag ondergaat. Songs als The Universe is a Woman, Facing the Sun en What Became of You and I? zijn westcoast hits après la lettre en zitten als gegoten in dit knappe debuut. Treefight for Sunlight is een heerlijke plaat waar niemand van dacht dat die er behoefte aan zou hebben.

Read more...

Elbow - Build a Rocket Boys!

>> vrijdag 11 maart 2011

En dan nu een album van degenen die de Mercury prijs wel wonnen. Elbow maakte in 2008 de belofte van jaren waar en leeft nu het leven waar iedere beginnende band van droomt. Het succes en de aandacht is enorm. Hoewel niet minder indrukwekkend dan eerder werk, is nu iedereen het wel over hun kwaliteiten eens. Een lofzang die voorlopig geen einde kent. Build a Rocket Boys! zet dat slechts voort. Dat neemt niet weg dat single Neat Little Rows niet het meest interessante of geïnspireerde Elbow-nummer is dat we ooit hoorden. Naar verluidt gaf de band zelf aan dergelijk nummer nodig te hebben voor de verwachting van de massa. God zij dank is Build a Rocket Boys! echter het meest contemplatieve album van de Britten tot nu toe. Nadat ik als recensent mijn voorliefde bij de bespreking van vorig album liet blijken, heb ik me gepermitteerd het album even te laten rijpen. Toch kan ik het niet laten erover te schrijven.

In feite heeft Elbow nu geen introductie meer nodig. Liefhebbers herkennen de sound overal. De band heeft de opmerkelijke gave om in een behoorlijk traditionele formatie met een alom bekende methode liedjes te schrijven die altijd hun eigen identiteit uitdragen en telkens bijzonderder blijken dan hun familieleden. Bovendien rijpen hun creaties zonder uitzondering uitstekend. Zowel muzikaal als tekstueel doet Elbow geen water bij de wijn. De scenario’s zijn vaak herkenbaar, maar worden op poëtisch, sluikse wijze gepresenteerd. Ze appelleren aan aanvaarde gevoelens om en kiezen geen partij in netelige thema’s. De menselijkheid zegeviert. Nooit wekt de band het gevoel pretentieus te zijn of was er de noodzaak de aandacht te trekken. Elbow krijgt de aandacht van een trouw en liefdevol publiek. Het karakter van frontman en uitzonderlijk zanger Guy Garvey draagt daaraan bij. Vanuit die gedachte is ook Build a Rocket Boys! gemaakt.

Met gepaste trots erkent de band momenteel de verworven roem. Tegelijkertijd brengt Elbow, onder andere met dit album, vooral met bescheidenheid hun geschiedenis naar buiten. De band plaatst zich in het grote geheel van de veranderende muzikale wereld en beseft waar de huidige situatie aan te danken is. Build a Rocket Boys! is een plaat voor diegenen die altijd al in Elbow’s muziek geloofden en niet een album voor sensatiemakke nieuwe zieltjes. Het leent zich minder voor de grote poparenatoer die ze momenteel maken. Zoals Guy zelf pas geleden schreef: in deze tijd, waarin iedereen zelf muziek naar buiten kan brengen, volgt succes als je goed genoeg bent. Het is bijna met spijt dat ik Elbow dergelijke hoogtes zie bereiken, maar het vervult mij ook met trots. Hun muziek imponeert me nog evenzeer als de eerste keer dat ik hun debuut hoorde. Er is veel muziek die me raakt, maar er is geen andere traditionele band die iedere keer weer overeenkomt met mijn diepste gevoelens. Luister!

Read more...

Portico Quartet - Isla

In de lijst van genomineerden voor de Mercury Prize (album of the year award) zijn vrijwel altijd een aantal platen te vinden die het ook echt verdienen. In 2008 won Elbow de prijs en of het nu hun beste album is of niet, dat was dubbel en dwars verdiend. In het lijstje genomineerden was echter ook en zeer afwijkende band te vinden: Portico Quartet. Hun album Knee-deep in the North Sea haalde het dus niet, hetgeen gezien de zeer avantgardistische muziek van het kwartet begrijpelijk is. Bovendien is het geen populaire popband, maar in essentie een jazzkwartet. Dat er toch een nominatie volgde wil wat zeggen over de grensoverschrijdende kwaliteiten van de muziek van het viertal. Knee-deep in the North Sea demonstreerde een uitzonderlijke muzikale visie die het kwartet naast progressieve jazz ook vergelijkingen opleverde met Radiohead en minimalistische componisten. Opvolger Isla kan dus rekenen op behoorlijk was aandacht, ondanks het genre wat aan Portico Quartet ten grondslag ligt.

Het is plezierig te merken dat Portico Quartet niet omwille van het behalen van groter succes zijn stijl heeft gepopulariseerd. In feite borduurt Isla verder op wat Knee-deep in the North Sea achterliet. De complexiteit lijkt hier en daar gegroeid. Zoals een chef zijn ‘specialiteit’ heeft, is bij Portico Quartet het gebruik van de hang niet weg te denken. Het voegt een klank toe die het kwartet direct apart zet van traditionele jazzformaties en neemt vaak de hoofdrol van drumsets over. Portico Quartet refereert zelf naar het instrument, dat een familielijn deelt met de steelpan uit de Caraïben, als de ‘hang drum’, maar de uitvinder van het instrument vindt dat het drum label de diepte van het instrument verarmt. De emotioneel geladen melodieën die Nick Mulvey met de hang creëert zijn getuige van het gelijk van de fabrikant.

Isla opent sterk. Wie zich het geluid van Knee-deep herinnert, zal er direct zijn weg in vinden, maar er is ook ontwikkeling. Er is aanvankelijk een belangrijke rol voor de saxofoon die een dominantere melodielijn vaststelt dan op het debuut het geval leek. Daarnaast is het album ietwat donkerder van toon. In de laagtes zit een dreiging die golvend naar boven slaat. Die krachtige klanken van het begin geven vervolgens de ruimte aan een opengewerkt vervolg dat in zijn minimalistische opzet weet te experimenteren met gebruikelijke jazzpatronen. Er is een constant spannende dynamiek aanwezig die wordt gedreven door de ritmiek. Het is net alsof Portico Quartet hun eigen klanktaal beter is gaan begrijpen. Hoewel de complexiteit van de muziek de luisteraar vaak weerhoudt van grote emotionele onderdompeling, overspoelt Isla je met een lichte dwang. En ondanks diezelfde complexiteit laat het kwartet je niet verdwalen. Op die manier kan de luisteraar de muzikale verwondering in alle veiligheid ondergaan.

Portico Quartet heeft hun talent kunnen laten rijpen en hun initiële succes heeft ze niet bestierd. Het album dat daarvan het resultaat is, kent dezelfde sterke visie en een vleugje muzikale bravoure. Het overstijgt genres zonder de oorsprong te verloochenen. Wie weet is een nieuwe nominatie niet ver weg.

Read more...

Clogs - The Creatures in the Garden of Lady Walton

>> zaterdag 5 maart 2011

Clogs brengt al vier albums lang op avantgardistische wijze twee werelden samen. Dat geldt zowel geografisch als muzikaal. De band- of ensembleleden van Clogs komen uit de Verenigde Staten en Australië. Hun muziek heeft in de basis nog het meest weg van modern klassiek, hoewel hun composities nooit zonder popmuziek zouden kunnen. Dat het goed mogelijk is om die muzikale werelden te combineren ontdekken we met enige regelmaat. Voor recente vergelijkingen kan bijvoorbeeld worden geluisterd naar Balmorhea en Rachel’s. Overigens zijn in mindere mate ook minimalisme en jazz in hun stijl thuis. Op hun vijfde album, The Creatures in the Garden of Lady Walton wordt van de voornamelijk instrumentale werkwijze afgeweken en zijn enkele vocalisten uitgenodigd.

De medewerking van Shara Worden (My Brightest Diamond) verheldert direct de connectie met indiepop, hoewel ook Andrew Bird kan worden genoemd. Naast haar vocalen zijn op The Creatures in the Garden of Lady Walton ook Sufjan Stevens, Aaron Dessner en Matt Berninger te bewonderen. Die laatste twee zijn geen toeval, want Clogs bestaat in zijn vaste formatie al uit The National bandlid Bryce Dessner en arrangeur Padma Newsome. Met het voorgaande Lanterns leek Clogs al in staat te zijn hun muziek een vriendelijker uitdossing te geven dan daarvoor het geval was. Die weg wordt nu verder uitgediept, maar niet langer voornamelijk als een vooruitstrevend klassiek ensemble. In plaats daarvan vinden we een belangrijk aandeel van complexe liederen. Kamerpop is een aardig label, maar de stijl en structuur blijft dichter bij klassieke liederen dan een popsong. Het hele album staat bol van de creatieve muzikaliteit. Het meesterschap en de visie van de muzikanten straalt er vanaf. Iedere keer opnieuw weet Clogs te fascineren. Voor de doorgewinterde muziekliefhebber is het zelfs behoorlijk toegankelijk. Clogs is op hun vijfde album het pure experiment voorbij en dat leidt tot prachtige muziek.

Zelfs de leek zal waarschijnlijk erkennen dat The Creatures in the Garden of Lady Walton een bijzonder mooi album is, zij het wat excentriek. Radiohead mag dan gezien worden als de enige grote band die er mee weg kan komen om vernieuwing aan een groot publiek te koppelen, het zijn de kunstenaars in de marge die de ontwikkeling echt leiden.

Read more...

Stateless - Matilda

>> vrijdag 4 maart 2011

Het eponieme debuut van Stateless werd ondanks enkele goede kritieken gemengd ontvangen en dus niet zo breed gedragen als ik verwachtte. Ongetwijfeld was mede de ambigue marketing als pop en/of dance. Er kon Stateless aan de popkant een clichématige werkwijze worden verweten en aan de dancekant ontbrak een definitieve dansbare punch. Wat mij betreft waren het echter uiterst sterke popsongs met snijdende, geladen vocalen die goed gebruik maakten van de extra dimensie uit de soundscape-achtige dance-elementen. Het heeft enige jaren geduurd voordat Stateless met nieuw werk komt, maar de herkansing komt in de vorm van Matilda.

Het is behoorlijk andere koek dan die ik hier voornamelijk serveer. Dat kan alleen als er een goede reden voor is. Stateless, op hun nieuwe label Ninja Tunes, brengt de daarbij passende electronische beweging in hun muzikale stijl tot voltooiing. Hoewel Matilda songs bevat die dansbaar genoemd kunnen worden en voorzien zijn van behoorlijk heftige beats en brommende bassen, kost het even voordat de groove van het album zich nestelt. De nog altijd indrukwekkende vocalen van Chris James, ondanks bewerkingen, komen telkens bovendrijven om de luisteraar als volleerd loods naar de veilige haven van de pop te leiden. Alleen al de kracht waarmee de onderlagen van de songs de luidsprekers uitrollen verhult even de grote mate van complexiteit in de opbouw. Hun debuut was toegankelijkere kost, maar toentertijd al ambitieus te noemen. Op Matilda lijkt de ambitie van Stateless zo mogelijk nog groter.

Er wordt uit diverse inspiratiebronnen geput. Single Ariel lijkt een vleugje van het mediterrane Midden-Oosten te hebben opgepikt, terwijl er wat oude muziek echoot in de lijnen van Visions. Voor de drammende culminatie van Assassinations is gebruik gemaakt van samples van My Brightest Diamond. Middels een ambient compositie als tussenspel, komen we aan bij I’m On Fire waar vervolgens Shara Worden zelf haar stem voor leende. Bovendien is dat één van de nummers waarop avantgardistisch strijkkwartet Balanescu meespeelt. Daarmee voegt Stateless zich aan een rijtje artiesten waar onder andere David Byrne, Michael Nyman en Kate Bush in thuishoren die eerder al medewerking van dit kwartet genoten. In het geheel lijkt de zwierige bombast in I’m On Fire bijna bescheiden. Met dit nummer vindt overigens een tijdelijke kentering in het karakter van de plaat plaats. Het structuur van het poplied wint het van sfeer. Tegelijkertijd heeft Stateless hier ten opzichte van hun debuut wel een extra klanklaag aan toegevoegd door de aanwezige strijkers. Toegegeven, de begerigheid waarmee een scala aan muzikale contrasten wordt gecreëerd komt her en der over als pretentieus effectbejag. Matilda is absoluut geen alledaagse plaat.

Het zal wederom moeilijk zijn een gepast publiek te vinden. Dance heeft de macht gegrepen, maar dat wil nog niet zeggen dat Stateless een album maakte waarop je onbegrensd uit je dak kunt gaan. Meeslepend is het wel, zij het in de zin van intrige. In feite is iedereen uitgenodigd om eens te gaan luisteren. Goede kans dat het tijd nodig heeft of stilistisch niet je voorkeur blijkt. Desondanks is het moeilijk denkbaar dat het gros van de mensen niet vroeger of later een keer wordt bevangen. Het is met enige trots dat ik momenteel hun thuisbasis deel.

Read more...

Vinsky Project - Acquire the Taste

>> woensdag 2 maart 2011

Acquire the Taste is een toepasselijke titel voor dit vierde album van deze Amsterdamse band met internationale wortels. Het is voor mij een kennismaking en Vinsky Project laat direct van zich horen met een explosieve mix van stijlen waarin van alles lijkt te kunnen gebeuren. Sinds Apocalyptica is men wel wat gewend van de cello, maar in Vinsky project lijkt die veelzijdigheid slechts een facet van het geheel. Wie na twee minuten denkt met een creatieve progressive rockband te maken te hebben, heeft het slechts enkele minuten bij het rechte eind.

In plaats van dergelijke rechtlijnigheid schiet Vinsky Project diverse kanten op. De pittige vocalen van Paulina Dubaj sturen aan op een harde aanpak, voordat een temperende tederheid zijn intrede doet. Dat soort omslagen zijn een kenmerkend onderdeel van de begeleiding. Het is zonder meer op die momenten dat Vinsky Project indruk wekt. Schijnbaar moeiteloos buigt de band voortvarende rock om in rustige kamermuziek en speelt niet veel later een gemoedelijke cadans van een folksong. Dat laatste is een voorname rode draad. Vinsky Project heeft weliswaar een Nederlandse basis, maar er maken ook Poolse en Hongaarse muzikanten deel van uit. Die brengen bovendien alternatieve instrumenten met zich mee. Hoewel de Balkan prominent als invloed wordt genoemd, is het effect op Acquire the Taste niet vergelijkbaar met momenteel gehypete Balkanpop. De populaire inslag ligt immers dichter bij indierock dan indiepop. Bovendien geeft de band zelf ook Latijns Amerika als inspiratiebron. Dankzij dit eclecticisme komt het resultaat eerder in de buurt van Rupa & the April Fishes of zelfs Oi Va Voi. Desondanks blijft het concept van Vinsky Project duidelijker dan de anekdotische stijlkeuzes van Rupa. Dat levert over het geheel een evenwichtigere plaat op die in zijn samenstelling blijft fascineren. De onderstroom van het onverwachtse is daarbij een sterke troef. De luisteraar leert de stijl van de band langzamerhand kennen, terwijl Vinsky Project zelf gedurende het album blijft diversifiëren.

Net als het Belgische DAAU ontstijgt Vinsky Project op gedreven wijze de vermoede gimmick. Het feit dat hier het wereldlijke en instrumentbeheersing samensmelten in gecontroleerd rockende songs maakt het bovendien toegankelijker. Een beetje durven moet je wel. De uitdaging ligt per luisteraar wellicht op een ander vlak. Toch is de kans reëel dat Vinsky Project vroeger of later de juiste snaar raakt. The Hollow Tree is daarvoor ongetwijfeld een uitstekend uitgangspunt.

Read more...

Templo Diez - Greyhounds

>> dinsdag 1 maart 2011

De stevig rammende pulsen waarmee Templo Diez hun vierde album begint brengen mij direct in sferen van zwaargewichten als The Dears, Archive of zelfs een beetje Doves. Dit is niet vergelijkend bedoeld, maar is wel degelijk een compliment. Templo Diez heeft zich gedurende het drieluik dat hun vorige albums vormde bedient van een alt. country, country-noir overstijgende indierockstijl. De voorafgaande EP Freiheit liet al horen dat de band wellicht voor een rockender geluid zou kiezen en dat lijkt bewaarheid te worden.

De titelsong van huidig album was op die EP al te horen, evenals Light Stroking the Walls, terwijl Holler#1 wordt voortgezet als #2. Dat neemt niet weg dat als er in My Spring, Your Fall gewag wordt gemaakt van de onmiskenbare americana geluiden er ook gas wordt teruggenomen. Het slepende Greyhounds, dat de kleuren van postrock draagt, kent een structuur die doet denken aan het vroegere werk van Audiotransparent. Tezamen met de diepe sferen van Holler#2, waarin Greyhounds prachtig uitmondt, krijgt de luisteraar een keur van de stilistische krachten die de stem van Pascal Hallibert bezit. Zijn kenmerkende timbre draagt kunstmatige effecten even makkelijk als een verbeten rasp die Wovenhand in herinnering roept. Tegen die tijd heeft de flow van het album zijn grip bevestigd en bevinden we ons eens te meer in de volle indierockwereld van desolate alt. americana die Templo Diez kenmerkt.

De stevigheid waarvan de rock op Greyhounds gepaard gaat, is voor mij persoonlijk weleens op het randje. Die voorkeur voor rust, zoals in de ontwikkeling van Pulse of the Sun en She's a Sparrow, wordt wellicht niet door iedereen gedeeld. Met het wegvallen van Gloribel Hernández heeft de band ook wat van zich af te spelen. Gloribel zorgde met name op Merced voor een bijzondere extra laag in Templo Diez’s muziek. De band weet het verlies met dit album echter goed op te vangen en veert terug als een gevierde groep muzikanten. De drijvende kracht achter Templo Diez is nog altijd Pascal Hallibert en hoewel die zijn talent inmiddels deelt over diverse projecten is het nog altijd deze formatie die mij het meest weet te raken. Misschien is het drielijk eigenlijk een vierluik.

Read more...

Happy Camper

>> maandag 21 februari 2011

In het kielzog van DWDD hier een oordeel over het geheel. Happy Camper lijkt op papier haast een bloemlezing uit de contemporaine Nederlandse indiepop. De veertien nummers die de plaat kent presenteren de medewerking van veel van de voorname Nederlandse alternatieve popmuzikanten. Alleen al daarom is Happy Camper bij voorbaat de moeite waard. Je voelt je of direct thuis tussen diverse bekenden of je krijgt een grondige introductie op enkele hedendaagse talenten. De krant Trouw vatte dat laatste behoorlijk letterlijk op en voelde zich meegenomen op een kampeertrip. Hoewel Happy Camper duidelijk bol staat van de samenwerkingen, is het uiteindelijk het project van toetsenist Job Roggeveen (El Pino & the Volunteers).

In feite volstaat op deze plaats alleen een volledige lijst van de meewerkende gastvocalisten: Bouke Zoete (The Kevin Costners), Leine, Odilo Girod (Coparck), Marien Dorleijn, Ricky Koole, Tim Knol, Appel, David Pino, Janne Schra (Room Eleven), Johannes Sigmund (Blaudzun), Helge Slikker, in volgorde van verschijnen. Het schiet zijn doel voorbij ieder nummer aan de hand van de vocalist te bespreken. De zorgeloze opener met Bouke Zoete zet de toon op fantastische wijze en tovert een glimlach op het gezicht die niet snel meer verdwijnt. Niet dat Happy Camper een plaat is vol zonovergoten vrolijkheid wat de klok slaat, maar het zijn wel allemaal heel fijne liedjes die met veel meer zorg dan bij een gemiddelde gelegenheidssamenwerking in elkaar zijn gezet. Ook even aandacht voor het nummer van Tim Knol. Iedereen loopt weg met zijn eigen plaat die ik in al zijn herhalende behoudendheid op zijn best onderhoudend vond. A Small Step for Mankind klinkt echter tegelijk volwassen en alsof de zanger een dagje uit mag. Dat fleurt de hele performance op. Dergelijk patroon kleurt de hele plaat. Idiosyncratische stemmen als van Odilo Girod en Johannes Sigmund blijven netjes binnen de lijntjes van Job Roggeveen, terwijl er alle vrijheid is de muzikaliteit van het gezelschap te benutten. Gezien de onmiskenbaar aantrekkelijke kwaliteit van de liedjes is het niet verwonderlijk dat de vocalisten zich graag Jobs gast noemden.

Het grootste nadeel van Happy Camper is waarschijnlijk dat het moeilijk zal zijn om een concertreeks met alle participanten te starten. Die gelegenheden waarbij Happy Camper wel ergens in zijn geheel neerstrijkt moeten dan ook niet ongemerkt voorbij gaan. Happy Camper is een album waarmee je vrijwel iedereen met een gerust hart veel luisterplezier kunt wensen zonder de gezonde dosis creativiteit met Nederlandse jazzy, folky, rootsy en country popwortels begrensd te zien.

Read more...

Amiina - Puzzle

>> zondag 13 februari 2011

Al erg lang stond Puzzle in de boeken, maar vond zijn weg naar de liefhebbers niet. 2010 werd 2011 voordat de schijf mij bereikte. Het IJslandse damesensemble Amiina is waarschijnlijk nog altijd bekender als de begeleiders van Sigur Rós dan voor hun eigen plaat Kurr, waarop de dames een zeer letterlijke huis, tuin en keukenbenadering van musiceren lieten horen. Die excentrische eigenzinnigheid is eigenlijk een vanzelfsprekendheid op opvolger Puzzle. In de persoon van Jón Birgisson is Sigur Rós nog aanwezig in de mixing van Puzzle. Openingsnummer Ásinn is direct getuige van een duidelijke verandering. Een warme onderlaag van poppy ambient geluiden draagt de anderszins herkenbare Amiina klanken. De vrijwel volledig instrumentale ensemblestukken, bekend van Kurr, krijgen op Puzzle gezelschap van etherische liedjes. Dat neemt niet weg dat de nadruk blijft liggen op de innerlijke structuren en aparte klankcombinaties van de instrumenten. Dat kan ook blijven bij een samenspel van de nu veel duidelijker aanwezige en toegankelijke (zware) ritmiek in de onderlagen met de lichtvoetige klanken die daardoor hun speelsheid voor ernstige plechtigheid verruilen (bijvoorbeeld Sicsak). In diverse opzichten is Puzzle daardoor wel gemakkelijker te verteren dan Kurr. Zonder hun identiteit te verliezen komt Amiina op deze manier dichterbij Broadcast 2000 en vergelijkbare knutselpoppers. Gelukkig blijft Puzzle ook uitstekend als een klassieke crossover te beluisteren, daarbij geholpen door de toegevoegde productielaag die een steunpunt voor ambient vormt. Na een opvallend debuut als Kurr beperkt de kritiek op Puzzle zich tot het feit dat het tegendraadse heeft plaatsgemaakt voor toonaangevende inmenging van de tijdsgeest. Daarmee verliest Amiina een deel van haar overvallend, sprankelende charme.

Read more...

Doelstelling van deze blog

Meer aandacht voor het (nog) onbekende. In tenui labor of toch niet?

Mededelingen

Donderdag 1 juli: deze week weer een frisse herstart verwacht.
Kort reces tot 13-05-10.
Na een kort reces vandaag (24-02-10) weer aan de post. Inmiddels is deze blog twee jaar geworden!
Gedurende december zullen er minder recensies worden geschreven
21-31 augustus: tijdelijk even geen recensies ivm een kort reces
Zondag 14 juni: Creative Commons licentie BY NC ND van toepassing op alle inhoud
Woensdag 3 juni: zoekfunctie en auteursrechtenonderdeel toegevoegd
Dinsdag 19 mei: template aangepast, hopelijk verbeterd
Vrijdag 15 mei: nieuw template; ontwikkeld door Ourblogtemplates.com, 2008

Auteursrechten

© Copyright Benjamin N. Vis

Uitgezonderd waar anders vermeld, is op alle inhoud van deze blog een Creative Commons Attribution 3.0 License van toepassing. Deze is hieronder gespecificeerd als CC BY NC ND. Voor meer informatie klik op de links aldaar.

  © Blogger templates Inspiration by Ourblogtemplates.com 2008

Back to TOP  

Creative Commons License
werk van Benjamin N. Vis, Nieuwe Geluiden is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-Niet-commercieel-Geen Afgeleide werken 3.0 Nederland licentie.