Posts tonen met het label jazz. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jazz. Alle posts tonen

Portico Quartet - Isla

>> vrijdag 11 maart 2011

In de lijst van genomineerden voor de Mercury Prize (album of the year award) zijn vrijwel altijd een aantal platen te vinden die het ook echt verdienen. In 2008 won Elbow de prijs en of het nu hun beste album is of niet, dat was dubbel en dwars verdiend. In het lijstje genomineerden was echter ook en zeer afwijkende band te vinden: Portico Quartet. Hun album Knee-deep in the North Sea haalde het dus niet, hetgeen gezien de zeer avantgardistische muziek van het kwartet begrijpelijk is. Bovendien is het geen populaire popband, maar in essentie een jazzkwartet. Dat er toch een nominatie volgde wil wat zeggen over de grensoverschrijdende kwaliteiten van de muziek van het viertal. Knee-deep in the North Sea demonstreerde een uitzonderlijke muzikale visie die het kwartet naast progressieve jazz ook vergelijkingen opleverde met Radiohead en minimalistische componisten. Opvolger Isla kan dus rekenen op behoorlijk was aandacht, ondanks het genre wat aan Portico Quartet ten grondslag ligt.

Het is plezierig te merken dat Portico Quartet niet omwille van het behalen van groter succes zijn stijl heeft gepopulariseerd. In feite borduurt Isla verder op wat Knee-deep in the North Sea achterliet. De complexiteit lijkt hier en daar gegroeid. Zoals een chef zijn ‘specialiteit’ heeft, is bij Portico Quartet het gebruik van de hang niet weg te denken. Het voegt een klank toe die het kwartet direct apart zet van traditionele jazzformaties en neemt vaak de hoofdrol van drumsets over. Portico Quartet refereert zelf naar het instrument, dat een familielijn deelt met de steelpan uit de Caraïben, als de ‘hang drum’, maar de uitvinder van het instrument vindt dat het drum label de diepte van het instrument verarmt. De emotioneel geladen melodieën die Nick Mulvey met de hang creëert zijn getuige van het gelijk van de fabrikant.

Isla opent sterk. Wie zich het geluid van Knee-deep herinnert, zal er direct zijn weg in vinden, maar er is ook ontwikkeling. Er is aanvankelijk een belangrijke rol voor de saxofoon die een dominantere melodielijn vaststelt dan op het debuut het geval leek. Daarnaast is het album ietwat donkerder van toon. In de laagtes zit een dreiging die golvend naar boven slaat. Die krachtige klanken van het begin geven vervolgens de ruimte aan een opengewerkt vervolg dat in zijn minimalistische opzet weet te experimenteren met gebruikelijke jazzpatronen. Er is een constant spannende dynamiek aanwezig die wordt gedreven door de ritmiek. Het is net alsof Portico Quartet hun eigen klanktaal beter is gaan begrijpen. Hoewel de complexiteit van de muziek de luisteraar vaak weerhoudt van grote emotionele onderdompeling, overspoelt Isla je met een lichte dwang. En ondanks diezelfde complexiteit laat het kwartet je niet verdwalen. Op die manier kan de luisteraar de muzikale verwondering in alle veiligheid ondergaan.

Portico Quartet heeft hun talent kunnen laten rijpen en hun initiële succes heeft ze niet bestierd. Het album dat daarvan het resultaat is, kent dezelfde sterke visie en een vleugje muzikale bravoure. Het overstijgt genres zonder de oorsprong te verloochenen. Wie weet is een nieuwe nominatie niet ver weg.

Read more...

Happy Camper

>> maandag 21 februari 2011

In het kielzog van DWDD hier een oordeel over het geheel. Happy Camper lijkt op papier haast een bloemlezing uit de contemporaine Nederlandse indiepop. De veertien nummers die de plaat kent presenteren de medewerking van veel van de voorname Nederlandse alternatieve popmuzikanten. Alleen al daarom is Happy Camper bij voorbaat de moeite waard. Je voelt je of direct thuis tussen diverse bekenden of je krijgt een grondige introductie op enkele hedendaagse talenten. De krant Trouw vatte dat laatste behoorlijk letterlijk op en voelde zich meegenomen op een kampeertrip. Hoewel Happy Camper duidelijk bol staat van de samenwerkingen, is het uiteindelijk het project van toetsenist Job Roggeveen (El Pino & the Volunteers).

In feite volstaat op deze plaats alleen een volledige lijst van de meewerkende gastvocalisten: Bouke Zoete (The Kevin Costners), Leine, Odilo Girod (Coparck), Marien Dorleijn, Ricky Koole, Tim Knol, Appel, David Pino, Janne Schra (Room Eleven), Johannes Sigmund (Blaudzun), Helge Slikker, in volgorde van verschijnen. Het schiet zijn doel voorbij ieder nummer aan de hand van de vocalist te bespreken. De zorgeloze opener met Bouke Zoete zet de toon op fantastische wijze en tovert een glimlach op het gezicht die niet snel meer verdwijnt. Niet dat Happy Camper een plaat is vol zonovergoten vrolijkheid wat de klok slaat, maar het zijn wel allemaal heel fijne liedjes die met veel meer zorg dan bij een gemiddelde gelegenheidssamenwerking in elkaar zijn gezet. Ook even aandacht voor het nummer van Tim Knol. Iedereen loopt weg met zijn eigen plaat die ik in al zijn herhalende behoudendheid op zijn best onderhoudend vond. A Small Step for Mankind klinkt echter tegelijk volwassen en alsof de zanger een dagje uit mag. Dat fleurt de hele performance op. Dergelijk patroon kleurt de hele plaat. Idiosyncratische stemmen als van Odilo Girod en Johannes Sigmund blijven netjes binnen de lijntjes van Job Roggeveen, terwijl er alle vrijheid is de muzikaliteit van het gezelschap te benutten. Gezien de onmiskenbaar aantrekkelijke kwaliteit van de liedjes is het niet verwonderlijk dat de vocalisten zich graag Jobs gast noemden.

Het grootste nadeel van Happy Camper is waarschijnlijk dat het moeilijk zal zijn om een concertreeks met alle participanten te starten. Die gelegenheden waarbij Happy Camper wel ergens in zijn geheel neerstrijkt moeten dan ook niet ongemerkt voorbij gaan. Happy Camper is een album waarmee je vrijwel iedereen met een gerust hart veel luisterplezier kunt wensen zonder de gezonde dosis creativiteit met Nederlandse jazzy, folky, rootsy en country popwortels begrensd te zien.

Read more...

Liz Janes - Say Goodbye

>> zondag 20 februari 2011

Liz Janes’s Done Gone Fire was één van de eerste platen die op Sufjan Stevens beginnende label Asthmatic Kitty verscheen. Daarna volgde nog twee releases voordat het huidige Say Goodbye werd gemaakt. In die tijd was Liz veelvuldig aanwezig bij labelgenoten (bijvoorbeeld Castanets, Sufjan zelf, Rafter en Odawas). Haar eigen muzikale outings zijn divers en vooruitstrevend te noemen, redelijk in lijn met enkele van die labelgenoten. Van wat ik van de eerdere albums valt op te maken dat na het baldadige Done Gone Fire, via het tevens luidruchtige Poison & Snakes nog het meest van de huidige stijl op Say Goodbye te horen. Create(!) was een EP met public domain songs die ze samen met free jazz collectief Create(!) opnieuw vormgaf. Daarvan moet vooral worden meegenomen dat jazziness niet is weg te denken uit Liz Janes’s stem en melodieën. Say Goodbye kwam tot stand na een periode van ontwikkelend moederschap. Met groeiende rust op dat front, vond Liz Janes de tijd voor een nieuw project dat compleet volgroeid blijkt.

Say Goodbye schudt de experimentele haren af en kiest voor een prachtig vormgegeven geluid. De songs kwamen a capella ter wereld, maar in het traject dat volgde en waarbij gebruikelijke muzikale kornuiten hielpen, lijkt Liz Janes de regie volledig in handen gehouden te hebben. Zoals direct duidelijk wordt uit het lijzig dromerige minimalisme van openingsnummer I Don’t Believe zijn de voornaamste ingrediënten van dit geluid soulfulle jazziness met jazzy triphop in de arrangementen. Dat maakt voor een heerlijk rustgevend warm klinkend album, dat wars is van simpel loungy winstbejag of showgazing zweverigheid. Liz Janes pikt de songs op met de klasse van Marah Carlyle. Hoewel het geluid vol en afgerond klinkt, blijven de tierelantijnen beperkt. Haar fijne stem komt daardoor mooi naar voren. Haar muzikale loopbaan laat her en der van zich horen, maar blijft subtiel gebalanceerd. Daardoor is Say Goodbye het eerste album van haar hand dat ik zonder reserveringen omarm en de kwaliteiten bezit om door brede groepen mensen goed ontvangen te worden. In alle ogenschijnlijke eenvoud worden aansprekende genres gecombineerd tot een uiterst stijlvol geheel. Op Say Goodbye vallen alle stukjes samen.

Read more...

S. Carey - All We Grow

>> zondag 25 juli 2010

De S van S. Carey staat voor Sean Carey. Wellicht niet direct een naam die bekend zal klinken, maar de band waar hij deel van uitmaakt, doet dat zeker wel: Bon Iver. Na het vallen van die naam is het overigens gelijk duidelijk dat naast Justin Vernon, Sean Carey zeker een beslissende rol heeft gespeeld in de vorming van For Emma, Forever Ago. Niet dat zijn solodebuut All We Grow dit album kopieert, maar de verstilde en vaak uitgestrekte songs vertonen wel een zekere gelijkenis. Tevens kent het album gedeeltelijk een overeenkomende klankkleur.

De albums van solo bandleden Philip Selway (Radiohead, drum) en S. Carey (Bon Iver, drum, piano) komen dichtbij elkaar uit. Een kleine vergelijking levert op dat beide voor een ingetogen popgeluid kiezen, waarin drums slechts beperkt aanwezig zijn. Waar in Philip Selway’s arrangementen textuur belangrijk is, zijn die, net als bij Bon Iver, voor S. Carey bepalend. Zelfs zodanig dat het risico op experimentele of atmosferische wijdlopigheid bestaat. In het album als geheel zijn die stukken echter een welhaast perfecte voorbereiding voor de gestileerde, minimaal harmonieuze, gezongen melodieën die doorgaans volgen. De betovering van All We Grow bereikt dan zijn hoogtepunten. Sowieso is de titel All We Grow een schitterende bewoording van het stilistische effect van de plaat. S. Carey heeft niet alleen een groeiplaat gemaakt, het geluid lijkt ook op traag tempo met semi-spontane scheuten te groeien. Het is heerlijk hoe de minimalistische, vaak monotoon ritmisch aangezette, patronen vrijelijk een grid leggen voor de lijzige, kabbelende songs en verstrekkende, ruimtelijke soundscapes. De nadruk die op het verloop en de opbouw van de composities ligt, valt misschien te herleiden tot Sean Carey’s klassieke graad in percussie en liefde voor de jazz. De milde invloeden van postrock, jazz en modern klassiek maken grote delen op van zijn stijl.

All We Grow past prima tussen het werk van Bon Iver en Volcano Choir, maar kiest toch zijn eigen pad. S. Carey toont zich vooral een compositorisch talent die de capaciteit bezit zijn werk ook over te brengen. Dat maakt zijn solodebuut een sterke opening.

Read more...

Doveman - The Conformist

>> maandag 12 juli 2010

The Conformist volgde relatief snel op de onverwachtse voortzetting van Doveman’s debuut The Acrobat in het van ambient soundscapes doordrenkte With My Left Hand I Raise the Dead. Gezien het feit dat deze tweede in ons land al weinig reacties wist te ontlokken, verging het The Conformist niet anders. Ook aan mijn aandacht is het album aanvankelijk ontsnapt. Nu niet langer.

The Conformist is een natuurlijker opvolger van de verstilde, nevelige popsongs op The Acrobat dan With My Left Had I Raised the Dead was. Die observatie is geenszins een kwalitatief oordeel. Het maakt wel dat The Conformist weer de ingrediënten bevat om de liefhebbers van onafhankelijke en excentrieke singer-songwriters aan zich te binden. Dat hoeft Doveman niet eens volledig op eigen kracht te doen. Voor The Conformist leenden vele bekendere indie-artiesten hun kunsten. Zo zijn (niet uitputtend) The National, Sam Amidon, Beth Orton, Dawn Landes, Norah Jones, Martha Wainwright en pianist/componist Nico Muhly te horen. Hun rollen zijn weliswaar beperkt (de dames komen niet verder dan extra vocalen), maar hun aanwezigheid en invloed lijkt Doveman wel scherper te hebben gemaakt. De schetsmatige melodieën die The Acrobat kenmerkten, zijn nu concreter vormgegeven. De banjo van Sam Amidon weet afwisselend een stempel op de songs te drukken. Nog altijd spelen in de uitgebreide arrangementen dwarrelende flarden van alternatieve lijnen en klanken de belangrijkste rol. Door de sterk geaspireerde stem van Doveman blijft een schemerige sfeer het album overheersen. Bij vlagen klinkt The Conformist opgewekter door geaccentueerde ritmiek, maar een drukkende, koude atmosfeer karakteriseert wederom de schrijfstijl. De wanhopige ondertoon is echter naar de achtergrond verdreven.

Het vergrote zelfvertrouwen staat de band rondom singer-songwriter Thomas Bartlett goed. Doveman blijft ook in het popgezelschap van The Conformist de basis van soundscapes, klassieke muziek en jazziness hoog in het vaandel dragen. Daarmee is wel zijn tot op heden meest toegankelijke album gemaakt en hopelijk zullen op zijn minst de opvallende samenwerkingen nu de liefhebber overhalen eens te luisteren.

Read more...

Brasstronaut - Mt. Chimaera / Old World Lies EP

>> donderdag 3 juni 2010

Een scherpzinnige lezer van Nieuwe Geluiden raadde me deze Canadese band aan, een op dat moment voor mij volstrekt onbekende naam. Mede om te bewijzen dat mijn eigenwijsheid ook grenzen kent en de zoektocht naar mooie muziek gebaat kan zijn bij hulp van buitenaf heb ik de band gecontacteerd. Voorman Edo Van Breemen blijkt dan zowaar Nederlandse wortels te hebben. Zoals de naam Brasstronaut al doet vermoeden, kenmerkt de band zich in ieder geval door koperblazers en het is met groot plezier dat ik nu de loftrompet kan steken over deze opmerkelijke Canadezen.

Ook zonder de begeleidende factsheet is te horen dat Brasstronaut muziek maakt die niet is geboren uit een bepaalde traditie of school. In essentie gedraagt de band zich als een kamerorkest. De zes leden vormen een bonafide gezelschap dat een uitzonderlijke rijkdom aan klanken kan produceren: Bryan Davies (trompet, hoorn, glockenspiel), John Walsh (bass, gitaar), Brennan Saul (percussie), Edo Van Breemen (keyboards, vocalen), Tariq Hussain (lap steel, elektrische gitaar) en Sam Davidson (klarinet, (zeldzame blaasinstrument synthesizer) EWI). De EP die het album voorging, Old World Lies, is al een schaarse traktatie. De jazziness van de trompet is even hartelijk als atypisch in de zich als songs gedragende composities. Zoals nonconformisten betaamt, is de lengte van de nummers niet gelijkvormig, maar ondergeschikt gemaakt aan het spel. Het doet terecht vermoeden dat de titel voor hun debuut album, Mt. Chimaera, uitstekend is gekozen.

De mannen van Brasstronaut blijken ware kunstenaars als het gaat om het bouwen van structuren. De songs bezitten een uitnodigende en emotieve tactiliteit. De bas en koperklanken laten het jazzthema zegevieren zonder gericht jazz te spelen en de opmerkelijke stampende kracht achter enkele nummers geven daarnaast een indierockgevoel. Het scheppen van zichzelf overstijgende sferen bereikt op Mt. Chimaera door een verbeterde productie herhaaldelijk hoogtepunten. Zo schieten de songs van opzwepend en offensief naar apotropaeïsch tot aan nazinderende contemplatieve duisternis. De onmiskenbare groove, die popmuziek zijn aanstekelijke karakter geeft, wordt op fijnzinnige wijze in het creatieve brouwsel verwerkt.

Dit verraadt een visionaire leiding die haaks staat op de improvisatorische uitstraling van de arrangementen. Hierin blijft Brasstronaut eenvoudig verbonden aan populaire genres. Daarmee is de deur op een kier gezet om de onverhoede luisteraar naar binnen te lokken en in te palmen. Het is moeilijk de band ergens op vast te pinnen. Desondanks is er op de EP vocale en sferische gelijkenis met Patrick Watson. De meer voortvarende debuutplaat ontwikkelt het bandgeluid, waardoor er gelijkenis ontstaat met kamerpop als The Miserable Rich en droompop als Mist in een eclectische band als Guillemots, terwijl er compositorische gelijkenis is met bijvoorbeeld Lars Horntveth.

Brasstronaut was de afgelopen tijd voor menigeen de verrassing op diverse festivals. Niet vaak komt er een band langs die zoveel eigenzinnigheid met zoveel talent brengt. Het creëren van een origineel geluid vergt moed en doorzettingsvermogen. Het is niet moeilijk om Brasstronaut daarvoor bewondering terug te geven.

Read more...

Hjaltalín - Terminal

>> maandag 31 mei 2010

Terwijl wij met hooggespannen anticipatie uitkeken naar het soloalbum van Sigur Rós’s Jónsi, viel IJsland als een blok voor het nieuwe album van Hjaltalín. Net als voorganger Sleepdrunk Seasons opent Terminal met blazers, die algauw door een compleet kamerorkest lijken te worden bijgestaan. De band houdt duidelijk van een grootse, bombastische entree. Het past zonder meer ook bij hun theatrale stijl.

In opener Suitcase Man neemt de ritmiek gaandeweg de hoofdrol over met de binnenkomst van de vocalen. De ritmiek is op zijn minst eclectisch en druk te noemen; het reizen strekt duidelijk verder dan alleen de songtitel. Het zet de toon voor het specifieke opgewekte karakter in de nummers. Hoewel de noordelijke sound tekenend is voor zowel Jónsi als Hjaltalín, tonen zij beiden dat die sfeer niet is voorbehouden aan grauwe stemmigheid, uitgestrekte soundscapes en enigmatische pop- of folksongs. Naast Jónsi lonkt Terminal naar orkestrale landgenoten Sea Bear en Amiina. Opvallend zijn voor mij ook de structuren in de melodie die bij tijd en wijle aan Patrick Watson doen denken en in geval van de vrouwelijke vocalen aan Juliette Commagère. Daarmee is zeker nog niet alles gezegd.

In de composities van Hjaltalín lijkt constant een liefde voor de big band en musical op te borrelen, die wordt aangedikt met accenten uit de jazz, soul, klassiek en wereldmuziek in de percussie. Het is een bonte verzameling die wonderwel en behoorlijk aanstekelijk werkt. Bovendien weet Hjaltalín de veelvormigheid nu ter meerdere eer en glorie in diverse nummers om te zetten.

Om hun internationale appel kracht bij te zetten zijn nu alle songs Engelstalig. Op Sleepdrunk Seasons was de kwaliteit van de vocalen nog wisselend, maar Terminal neemt zijn revanche. Zangeres Sigga werd zelfs bekroond als ‘Voice of the Year’ op de Icelandic Music Awards, maar die eer had tevens zanger Högni toe kunnen komen. Waar de majestueuze en soms jazzy klanken van de hoge stem van Sigga zo uit een theatrale musical komen aanwaaien, brengt Högni, met constante spanning van stijlen, een geaspireerd stemgeluid met de gedragenheid van pop met een randje. Hun beider vocalen hadden ongetwijfeld niet misstaan op een album van Oi Va Voi of Zero7. Terminal wordt herhaaldelijk naar een hoger plan getild door de expressie van deze twee.

Om het geheel af te maken laat het zevental instrumentaal de vele kansen op excentriciteit niet onbenut. Dat geeft Terminal de verrassingen die een goed orkestraal album zeer lang houdbaar maken, hetgeen al helemaal bij zonnigere muziek vaak moeilijk blijkt. Hjaltalín is overduidelijk klaar voor de wereld, maar het is nog maar de vraag of iedereen klaar is voor Hjaltalín. Terminal is geweldig en onmiskenbaar aantrekkelijk, de manier waarop de band al hun inspiratie samensmelt, zou echter bij veelbepalende conformisten op gefronste wenkbrauwen kunnen stuiten.

Read more...

Winding Stairs - Everything

>> dinsdag 18 mei 2010

Het is opmerkelijk hoe Scandinavische muzikanten afwisselend met volstrekte eigenzinnigheid of volkomen perfectie het popgenre vormgeven. Het Zweedse duo Martin Wahlqvist en Lina Wedin gaan op podium en plaat door het leven als Winding Stairs. Winding Stairs lijkt voor geen van beide uitersten te hebben gekozen.

Debuutplaat Everything is gevuld met onmiskenbare popnummers, die in zowel laag als hoog tempo voldoende zoetheid en catchiness bewaren om de oren te doen spitsen. Ze maakten een opmerkelijke stijlmix die op heel veel plaatsen aan mainstream vastplakt, terwijl hun geluid zich daar tegelijkertijd herhaaldelijk tegen afzet. De noordelijke vibe is hoe dan ook aanwezig. De onweerstaanbare, tegendraadse popnummers zijn bijvoorbeeld terug te voeren op bijvoorbeeld A Camp (Nina Persson) en Britta Persson afgelost door de hartenkreten van Maria Mena. Desondanks is Winding Stairs op bepaalde momenten lekker dwars en creatief in tempo’s en elektronica. Daarin zijn invloeden van Martin Hagfors en Thomas Dybdhal te bespeuren. Tegelijkertijd wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van typische jazzy eigenschappen. Dat is terug te vinden in ritmes en het instrumentarium, waaronder de koperblazers aan het begin, die de miskende band The Open in herinnering roepen. Over de hele linie klinkt het duo telkens weer als een potente popband met een ruimtelijk geluid.

De albumtitel Everything zou te verklaren kunnen zijn door de erkenning dat Winding Stairs vele aspecten uit succesvolle mainstreamgeluiden heeft gecombineerd tot een diverse, toegankelijke indiesound. Daarmee creëert het duo ook wel een mogelijke patstelling: ze zijn vlees noch vis en hun volgelingen blijven wellicht steken tussen servet en tafellaken. De tijd zal het uitwijzen. Hun songs zijn in ieder geval geen reden om ze links te laten liggen.

Read more...

Peter-Anthony Togni - Lamentatio Jeremiae Prophetae

>> donderdag 25 februari 2010

Sinds 1989 is Peter Togni actief als freelance componist van voornamelijk klassieke muziek. Koormuziek vormt een groot onderdeel van zijn oeuvre. In zijn composities doorklinkt vaak een persoonlijke visie op het sacrale. Met deze opname van het stuk Lamentatio Jeremiae Prophetae komt dit zeer concreet naar voren. Het verhaal van de verscheurde profeet Jeremiah uit het Oude Testament staat centraal en wordt als profeet van het hedendaagse aangehaald. Het bijzondere van dit werk is bovendien dat Togni de getalenteerde basklarinettist Jeff Reilly vrijheid laat voor improvisatie naast de formelere klanken van het Elmer Iseler Singers koor. Als organist speelde Togni al geregeld met het Sanctuary Trio en sinds 2009 ook met het Peter Togni Trio zich richtend op uitvoeringen van jazz classics, eigen werk en jazzbewerkingen van klassiek. Deze achtergrond meenemend is het niet verrassend dat Peter nu met Lamentatio Jeremiae Prophetae debuteert op het ECM label, dat zowel de jazz als klassiek liefhebbers al 40 jaar op hun wenken bedient. Herhaaldelijk doet Lamentatio Jeremiae Prophetae denken aan de gelegenheidssamenkomsten van Jan Garbarek met het Hilliard ensemble. Ook deze platen op het ECM label kenden een opmerkelijke combinatie van improvisatie en compositie. Lamentatio Jeremiae Prophetae is echter merkbaar als een geheel geschreven en kent daardoor ook duidelijke narratieve ontwikkeling. Togni zelf geeft aan dat hij gaandeweg het koor als Jerusalem ging beschouwen en de basklarinet als de stem van Jeremiah, hetgeen goed is terug te horen. Ook de prachtige sopraan van Lydia Adams valt op. Zij tilt de kleur van de compositie naar een sprankelend hoger plan. Het stuk werd opgenomen in Togni’s huidige woonplaats Halifax, Nova Scotia in de All Saints Cathedral. Die ruimte geeft het afwisselend alarmerende en sussende stuk een plezierig gearticuleerde klank. Peter Togni beteugelt in dit mooie en contemplatieve werk twee uiteenlopende stijlen op een complementaire manier.

Read more...

Steye & the Ottowanians - Hum & Ears

>> donderdag 4 februari 2010

De bestemming van dit In A Cabin With project was het winterse Canada met een temperatuur van -30. Die onderkoeling is niet terug te vinden op het funky album Hum & Ears dat, met de Nederlandse Steye als creatief middelpunt, werd gerealiseerd. Aan dit creatieve proces is een aflevering van de tv-serie van de NPS rondom IACW gewijd. Steye & the Ottowanians boren voor mij persoonlijk stilistisch niet de juiste bronnen aan, maar ik geef grif toe dat Hum & Ears zeker het meest funky album is dat uit een IACW project voortvloeide. Er worden vriendelijke, wat simpele songs gespeeld in een uitnodigende lo-fi sfeer met een authentieke zwier, waarvoor invloeden uit de soul en funk worden gebruikt om een aantrekkelijk, ritmegevoelig synthpop singer-songwritergeluid te smeden. Naast een veertiental Canadese muzikanten is ook gitarist Alvin Lewis (ex-Zuco103) van de partij. Tezamen vormen ze een grote en kundige groep muzikanten die in tien dagen tijd een prima luisteralbum in elkaar zetten onder toeziend oog van huisproducer Jesse Beuker. Na terugkomst werd van het nummer Wonderful in samenwerking met Adrien Jeanjean en Orientation Travel de eerste interactieve 3D clip opgenomen. Dat benadrukt nog maar eens de atmosfeer van creatieve vrijheid die IACW tot zo’n onweerstaanbaar project maakt. Met Steye & the Ottowanians groeit de diversiteit onder de IACW vlag alleen maar verder en, hoewel het geen persoonlijk favoriet is, blijkt ook Hum & Ears een leuk, speels album.

Read more...

Splashgirl - Arbor

>> donderdag 28 januari 2010

De grenzen tussen muzikale genres worden voortdurend aangetast door muzikanten die buiten die grenzen om nieuw klinkende stijlen te ontwikkelen. Doors. Keys. was het voorgaande album van dit Noorse, in de basis, akoestische improvisatie jazztrio. Op dat album werd de bezetting nog redelijk traditioneel opgevat, hoewel hun composities duidelijk deden blijken dat die traditie hen nergens beperkt. Sinds die plaat maakte ik slechts één keer een vergelijking met hun muziek met het eveneens Noorse jazzgezelschap In the Country. Het aardige is dat Splashgril met Arbor de bal terugspeelt door de minimalistische trekjes van In the Country te laten verbleken bij de huidige composities.

Op Arbor krijgt subtiliteit een volledig nieuwe betekenis. Jazz kan hun stijl onmogelijk nog dekken. In plaats daarvan ontstaan er soundscapes en ongrijpbare atmosferen. Af en toe doet het denken aan muziek uit de game industrie, maar dan van een verbluffend goede soort. Doordat de afbakening van de composities daardoor vervaagt, is Arbor zeker geen makkelijker album dan Doors. Keys. Splashgirl anno 2010 vraagt om rust en aandacht, het kost immers enige tijd om de spaarzame melodische elementen onder de huid te laten nestelen. Eenmaal op dat punt aanbeland, krijgt Splashgril’s muziek traag broeiende spanningen die plezierig lang nazinderen. Net als op Doors. Keys. is het haast niet te merken dat de composities niet letterlijk zijn opgetekend. Splashgirl blijft in essentie improviseren. De luisteraar wordt meegenomen in het ontstaan van de muziek, maar krijgt nooit het gevoel dat het aan onderliggende structuur ontbreekt. Verder zijn de albums nauwelijks meer vergelijkbaar. Splashgirl laat blijken dat de uniciteit van hun geluid zich op meerdere wijze kan uiten. Waar Doors. Keys. een schoonheid had die duidelijker te ontwaren was, zal Arbor de luisteraar meer interpretatievee vrijheid laten. Het zijn twee kanten van eenzelfde munt die herhaaldelijk op eigenzinnige wijze resoneert wanneer die wordt opgegooid.

Splashgirl kan zeker avant-gardistisch worden genoemd en zou in die positie meer aandacht moeten krijgen. Ondanks de vernieuwing klinkt hun muziek niet overmatig experimenteel en veranderingsgezinde liefhebbers uit de jazz, postrock, modern klassiek en ambient worden door het trio allen liefdevol onthaald. De toekomst zal ongetwijfeld bijzonder blijven.

Read more...

Tindersticks - Falling Down a Mountain

>> dinsdag 26 januari 2010

Zo lang als men moest wachten op The Hungry Saw, zo snel is ook de opvolger Falling Down a Mountain een feit. Met een goede reputatie hoog te houden, stelde de donker gestemde Britse band na vijf jaar niet teleur. De tijd besteden ze evengoed nuttig met het schrijven van twee filmscores en muziek voor Vuittons modeshow.

Naar eigen zeggen is Falling Down a Mountain een album waarop ze de begrenzingen van hun voorgaande stijl loslaten, hetgeen op The Hungry Saw nog niet het geval was. Dat lijkt zich in eerste instantie op een jazzy wijze te uiten, gezien de schetsmatige opening met de typerend zenuwachtige trompet die sterk doet denken aan het te snel ter ziele gegane The Open. Die lijn wordt echter niet echt doorgezet en wat we op de rest van Falling Down a Mountain vinden, is een opmerkelijk lichtvoetige en kwieke versie van Tindersticks. Dat gaat wel ten koste van die betoverende Tindersticks sfeer waarin de impact van Stuart A. Staples’ stem de aandacht opeist. Het speels creatieve instrumentgebruik demonstreert het vakmanschap van de band, maar maakt dit gemis slechts ten dele goed. Waar is die beklemmende directheid die de duistere zwangerschap van de songs normaal benadrukt, wel aanwezig in het instrumentale Hubbard Hills en het slot?

De herziene zelfverzekerdheid van Tindersticks levert een album op dat de vernieuwingszucht bij de band zelf bevredigt, maar de liefhebber vertwijfeld laat. Tegelijkertijd valt kwalitatief niets af te dingen, dus zal tijd hier de echte leermeester zijn.

Read more...

Sone Institute - Curious Memories

>> dinsdag 19 januari 2010

Zoals gebruikelijk bij het Front and Follow label worden kopers getrakteerd op een handgemaakte verpakking voor de plaat. In deze snel digitaliserende tijden is dat een niet te evenaren troef. Maar Sone Institute is niet alleen afhankelijk van het label om op te vallen. Bij opening brengen de opmerkelijk bij elkaar geplakte klankcombinaties mij direct op een mentale vergelijking met Yonderboi. Dat is voldoende om met de oren gespitst deze plaat in te duiken.

Roman Bezdyk is de elektronisch kunstenaar achter Sone Institute. In de film bestaat al lange tijd het genre ‘found footage’, het album Curious Memories is opgebouwd uit ‘found sounds’. Deze klankcollages klinken niet altijd even samenhangend, maar intrigeren op verschillende niveaus gedurende de hele plaat. Het mag duidelijk zijn dat het hier een experimentele plaat betreft en dat de vergelijking met Yonderboi slechts op bepaalde momenten echt steek houdt. Van een popsong is eigenlijk nergens sprake. Als er al vocalen worden gebruikt, is dat puur als klankelement. De kwaliteit van de complexe soundscapes is niet altijd even hoog. Een haast onoverkomelijk euvel bij dergelijke muziek, want niet iedere verrassende klank zal bij eenieder even goed vallen. Verrassingen en een element van verwachting zijn echter voortdurend aanwezig. Veel van de samples zijn elektronisch, maar daarnaast komen flarden klassieke muziek, dance, jazz of zelfs een soulvolle piano voorbij. In deze jungle aan geluid vinden hypnotiserende samenkomsten plaats en ontstaan zinderende tableaux vivants. Het is overwegend aangenaam dwalen in het vriendelijk chaotische eclecticisme. Curious Memories biedt de luisteraar vooral een zoektocht naar momenten van persoonlijke betovering. Gelukkig is de speurtocht zelf erg spannend, waardoor een beloning vrijwel kan worden gegarandeerd.

Read more...

Johnny's Landing - Johnny's Landing

>> donderdag 31 december 2009

Johnny’s Landing is sinds 2005 een Haagse indieband die telkens weer een stapje verder probeert te komen in de Nederlandse muziekwereld. Ten dele lukt dat aardig en dat is vooral te danken aan de flinke dosis lef en visie die de band tentoonspreidt. Wellicht dat hun podiumoptredens een ander beeld geven, maar op deze EP blijft de kwaliteit van Johnny’s Landing toch op een betrekkelijk laag peil steken. Dat is vrijwel volledig te wijten aan de muzikale uitvoering.

De drie songs op deze EP moeten het duidelijk van de vocalen hebben, want de arrangementen blijven erg vlak of dof klinken. Het is niet ondenkbaar dat de wollige mix van de plaat de oorzaak is van de afstandelijke klank, maar bovendien benadrukt dit ook de star, ritmische arrangementen. Het instrumentarium klinkt daardoor grotendeels plichtmatig en weinig energiek. Openingsnummer Dear Patron is de luisteraar nog even te slim af met de helder afstekende pianopartij, het duurt echter niet lang voordat de combinatie met percussie tot een eentonig gebonk afzwakt. Samen met de gejaagde vocalen blijft Dear Patron slechts een matige spiegeling van An Pierlé.

In de overige songs speelt zangeres Dominique Dijkhuizen met jazzy uithalen. Haar vocalen vormen in de basis de belangrijkste factor voor de identiteit van de band. Helaas was Dominique niet in vorm toen deze plaat werd opgenomen. De jazzy aandoende vocalen tonen vooral haar technisch zwakke kanten. Met enige regelmaat valt er een valse noot, die zeker niet kan worden verward met karaktervolle dissonantie. Het vele glijden en vibrato komt dat niet ten goede, want daardoor blijkt nog maar weer eens duidelijk dat Dominique op zoek is naar zuiverheid en dat slechts gedeeltelijk weet te lokaliseren. Op de momenten dat ze dit weet te corrigeren krijgt ze de luisteraar soms op het randje van vertedering, maar iedere emotionele diepgang wordt algauw door technisch gebrek verstoord. Johnny’s Landing weet dit op geen van de drie nummer te boven te komen, waardoor de band vooral kan worden geroemd om het onderliggende concept, maar niet om zijn muzikale prestaties.

Read more...

Lyenn - The Jollity of my Boon Companion

>> woensdag 30 december 2009

Fred Lyenn Jacques is officieel één van onze zuiderburen, maar kan niet worden losgezien van zijn Britse roots en uitgebreide muzikale dolingen in Europa, het Verenigd Koninkrijk en de VS. Het resulterende brouwsel is een ongereserveerd avant-gardistisch popexperiment met een uiterst eigenzinnig geluid. Binnen de vooruitstrevendheid blijven echter duidelijk conventionele invloeden bestaan.

De composities blijken slechts aan de oppervlakte rauw en fragmentarisch. De veel subtielere, onderliggende rode draad pikt de luisteraar gelukkig snel op. Vanaf dat punt is het goed mogelijk de vele gitzwarte lagen van het tegenstrijdig getitelde, sombere The Jollity of my Boon Companion te waarderen. Naast alle genrefundamenten die variëren van improvisatiejazz en americana-folk tot gepolijste pop en consternerende, harde rock, komen ook wel enkele artiesten ter vergelijking boven drijven. Daaronder bevinden zich zeker koningen van de donkerte als Woven Hand en Smog, maar ook avant-gardisten als David Sylvian en Marc Almond of een singer-songwriter als Sam Amidon. Als laatste vormen ook de landgenoten van Dez Mona een vatbaar aanknopingspunt. Lyenn zingt met een opmerkelijk lichte stem voor dit sfeergenre, maar die vocalen krijgen een bejaagde klankkleur door de scherp krassende randjes. Diezelfde krachtige scherpte kan worden teruggevonden in de meest expressieve en ongeremde songs. Daarin komt ook het improviserende karakter van Lyenn’s multi-instrumentale werkwijze goed naar boven. Het is opmerkelijk dat The Jollity of my Boon Companion ondanks die los gedefinieerde inslagen dergelijk samenhangend geheel vormt.

De elusiviteit van het album, die zo af en toe solide grond vindt in een ingetogen lied, hult de vrijzinnige singer-songwriter in enigmatische mysteriën. In die nevelige, scheppende atmosfeer opereert hij op het scherpst van de progressieve snede. Het zal niet verbazen dat niet al zijn vruchten kunnen rekenen op onvoorwaardelijke liefde, desondanks dwingt het uitdagende album dat simpelweg af. The Jollity of my Boon Companion is niet geschikt voor zwak gestelden, net als dat zijn heerser alleen in vrijheid, met excentrische moed, tot deze schepping had kunnen komen.

Read more...

Leona Naess - Thirteens

>> zaterdag 14 november 2009

Soms is het fijn om op plaatjes terug te komen die eigenlijk alweer een tijdje in de winkel liggen. Thirteens, het vierde album van Leona Naess, is zo’n plaat en werd vorig jaar zonder al teveel aandacht uitgebracht. Hoewel de eponieme voorgaande plaat als een bevestiging van het gelouwerde debuut geldt, vond ik dat Leona op die plaat enigszins anoniem bleef. De liedjes wilden maar niet tot volle ontwikkeling komen. Daarom liet ik de huidige plaat ook lang liggen. Ten onrechte, want met Thirteens is de singer-songwriter in mijn ogen dan toch echt volwassen geworden.

Voorheen vond ze nog bescherming van de faam van stiefmoeder Diana Ross en haar relatie met Ryan Adams. Dat soort bescherming duurt niet eeuwig en inmiddels kan ze duidelijk op eigen benen staan. Het meer op folk geënte geluid van haar derde plaat is naar de achtergrond verdwenen om wederom plaats te maken voor uitgesproken pop. Daarin vinden we wel spanningsvelden met jazzy accenten en, ondanks dat Leona zeker niet het toonbeeld is van originaliteit, enkele bijzonder mooie vondsten in melodie en arrangementen. Haar vocalen doen mij soms een beetje denken aan Corinne Bailey Rae, maar soul is bij haar geen hoofdingrediënt. Op de zoete momenten dat een vergelijking met Katie Melua voor op de tong ligt, besef je gelijk dat Leona Naess muzikaal veel interessanter is. Bepaalde melodielijnen brengen mij onmiddellijk bij de fantastische, fantasierijke Mara Carlyle, maar qua oorspronkelijkheid en vocaal talent kan ze daar toch niet aan tippen. Het is dan ook een ander vaatje waaruit Leona tapt. Haar muziek voelt zich prettiger bij poppy buurvrouwen als Sarah Blasko, Sara Lov en A Girl Called Eddy. Dat is echter toch niet het minste gezelschap. Leona Naess’ Thirteens zal in menig platenkast niet misstaan en zou velen voor zich kunnen winnen en is daarbij beduidend minder cliché dan vele alternatieven.

Read more...

Heidi Happy - Flowers, Birds and Home

>> donderdag 29 oktober 2009

In Zwitserland geniet men al een aantal jaar van deze begiftigde singer-songwriter, maar voor mij is Flowers, Birds and Home een verrassende introductie. De naam Heidi Happy doet de radertjes der associatie in rap tempo draaien, maar slechts weinig van die associaties zijn terecht. Hoewel gebruik maken van het stereotypische Alpenbeeld voor een internationale carrière natuurlijk bijzonder slim is, brengt Flowers, Birds and Home ons geen uitgesproken vrolijke collectie zonnige zorgeloosheid, noch niemendallerige deuntjes.

Niet dat Heidi Happy droef gestemd is. Haar songs zijn eerder dromerig, terwijl haar vocale interpretatie helder en direct is. Dat geldt overigens ook voor de instrumentale invulling. Ondanks dat Heidi Happy zich comfortabel in het popgenre nestelt, hinkt de basis met één been op klassiek en het andere op jazz. Dat levert een spannende combinatie van muzikale structuren op. Bovendien grijpt de Zwitserse niet naar allerhande opsieringen. Daardoor worden de songs nooit te complex of ongrijpbaar. Ze smeedt uit eenvoudige middelen betoverende liedjes met zwijmelende, intieme momenten. Waar het instrumentarium uitgebreid wordt, gebeurt dat op eerlijke, veelal klassiek akoestische wijze, hetgeen bijdraagt aan het oprechte karakter. Dat Heidi Happy, oftewel Priska Zemp, muzikale subtiliteit zo goed verstaat, komt vast door de uiterst muzikale familie waarin ze geboren werd. Dat ze dit talent niet alleen weet te vertalen naar kwalitatieve pop, liet ze zien door haar prachtige vocalen te lenen aan het Zwitserse nummer één album Touch Yello van elektropioniers Yello. Dit bevestigt het beeld van een muzikante die het ook internationaal ver moet kunnen schoppen.

Zonder verder sprake is van muzikaal verwantschap moet ik denken aan de Oostenrijkse Clara Luzia, van wie wij hier ook veel te weinig horen. Laat dat met Heidi Happy en het sfeervolle Flowers, Birds and Home niet gebeuren. Er mag van zonnige zorgeloosheid of dramatische berglandschappen weinig terug te horen zijn, hetgeen overblijft kent een pure schittering die niet makkelijk te overtreffen is.

Read more...

Raz O'Hara and the Odd Orchestra - II

>> dinsdag 27 oktober 2009

De intro van dit tweede album van het duo Raz O’Hara (Patrick Rasmussen) en Oliver Doerell laat er geen twijfel over bestaan: II is duidelijk geen herhalingsoefening. Er is een krachtige, donkere ondertoon in aanwezig die het gehele album doorloopt. Raz O’Hara and the Odd Orchestra, zoals het duo door het leven gaat, staat nog altijd garant voor zeer rijke en experimentele elektropop. Daarbij schuwen ze de klassieke popcompositie niet, noch gaan ze invloeden uit modern klassiek, jazz of folk uit de weg. De mellow melancholie van het eponieme debuut is weggeëbd om voor dieper liggende lijnen plaats te maken. Er heerst een opmerkzame sfeer die zowel uiterst donker als hoopvol kan klinken. II lijkt de organische structuren van de wereld op impressionistische wijze te willen vatten en werkt uitstekend als een intieme koptelefoonplaat. De rustige ritmes en sussende lyriek in Patrick’s stem werken urgent in op het gemoed. II klinkt avontuurlijker dan de eenvoudige opzet van het debuut en prikkelt daarmee de nieuwsgierigheid. Het levert een nog veel spannender album op, hetgeen wel ten koste gaat van de toegankelijkheid. De veeleisende muziekliefhebber wordt daar juist gelukkig van. De uitgesponnen muzikale lijnen zijn uitbundiger, de kalmte van de cadans is misleidend. Raz O’Hara and the Odd Orchestra balanceren met II constant op de grens van overweldigende ontroering, maar waken ervoor die te overschrijden. Daardoor raakt de luisteraar verstrikt in een web zwanger van emoties dat slechts bijdraagt aan schoonheid van de plaat.

Read more...

On Fillmore - Extended Vacation

Degenen die het plezier hadden de afgelopen drie albums van On Fillmore te horen, verwachten wellicht een soort experimentele postrock. Hetgeen te horen is op deze vierde plaat, Extended Vacation, is dat zeker niet. Gelukkig is het ook geenszins minder avontuurlijk. Vanaf de eerste seconden worden de trommelvliezen geprikkeld door soundscapeachtige composities opgebouwd uit mysterieuze klanken, maar met aangename, ontspannen jazzy ritmes van de contrabas. Dat die aanlokkelijke groove zo goed bewaard blijft, is goed te verklaren. On Fillmore is namelijk een duo dat bestaat uit bassist Darin Gray en Wilco drummer Glenn Kotche. Het enigmatische instrumentale album luistert als een goede soundtrack, alleen wordt nooit duidelijk waarvan precies. Het valt te typeren als een combinatie van getalenteerde excentriekelingen als Pram, Psapp, Jon Brion, Benoît Pioulard en Triosk. Waarschijnlijk schudt dit de liefhebbers direct wakker en dat is volledig terecht. Muziek klinkt zelden intrigerender dan de licht repetitieve patronen op Extended Vacation. Het is een wonderlijke tocht door een onbeschrijflijk labyrint dat geen moment verveelt, ondanks het gebrek aan acute spanning. Hoewel On Fillmore duidelijk gedreven wordt door experiment, zoeken de heren nooit een harde confrontatie op. Dat zorgt ervoor dat hun muziek ook luisteraars van terughoudende aard over de drempel kan trekken. Extended Vacation is een knappe plaat van een ietwat bevreemdend duo.

Read more...

Kartasan - Another Profile

>> maandag 26 oktober 2009

Dit Belgische debuut op ons zo geliefde Excelsior label is even onverwacht als Klein. Kartasan is het resultaat van een productieve sabbatical van zanger, pianist en componist Jan Vandecasteele. Nadat Jan een demo, die hij samen met Barber Marquez opnam, liet horen aan Simon en Frederik Segers en Matthias Debusschere ontstond de basis voor de groep Kartasan. Jan en Frederik schreven de arrangementen en met de band werkten ze de nummers af voor een eerste album. Tijdens de eerste concerten bleek al dat hun begeestering constant meer publiek trok. Jan Vandecasteele blijkt de gave te bezitten om eigenzinnige moderne klassiekers te schrijven. Debuutalbum Another Profile staat vol met muziek die je onbewust al jarenlang mist. De fundamenten van klassiek songschrijverschap van grote delen van de twintigste eeuw werden gebruikt om songs te maken die onmiddellijk bekend en plezierig klinken, terwijl ze tegelijkertijd meer doen dan consolideren. Ouderwets is het op geen enkel moment, maar nostalgici komen oren tekort. Jan is gezegend met een ongelofelijk mooie, buigbare stem en heeft fijne timing. Hij is onmiskenbaar een geboren poptroubadour en weet random elementen uit de soul, funk en jazzgeschiedenis voor zijn eigen composities te laten werken. De songs hebben soms zelfs een cinematografisch karakter. De HUMO maakte een vergelijking met Madrugada en hoewel dit lang niet altijd opgaat, komt de inborst in diverse opzichten goed overeen. Another Profile kent een geweldige, uitnodigende en tijdloze sfeer en geeft een zeer pure, muzikale ziel bloot. Hulde voor deze bijzonder aanstekelijke, jongvolwassen plaat.

Read more...

Doelstelling van deze blog

Meer aandacht voor het (nog) onbekende. In tenui labor of toch niet?

Mededelingen

Donderdag 1 juli: deze week weer een frisse herstart verwacht.
Kort reces tot 13-05-10.
Na een kort reces vandaag (24-02-10) weer aan de post. Inmiddels is deze blog twee jaar geworden!
Gedurende december zullen er minder recensies worden geschreven
21-31 augustus: tijdelijk even geen recensies ivm een kort reces
Zondag 14 juni: Creative Commons licentie BY NC ND van toepassing op alle inhoud
Woensdag 3 juni: zoekfunctie en auteursrechtenonderdeel toegevoegd
Dinsdag 19 mei: template aangepast, hopelijk verbeterd
Vrijdag 15 mei: nieuw template; ontwikkeld door Ourblogtemplates.com, 2008

Auteursrechten

© Copyright Benjamin N. Vis

Uitgezonderd waar anders vermeld, is op alle inhoud van deze blog een Creative Commons Attribution 3.0 License van toepassing. Deze is hieronder gespecificeerd als CC BY NC ND. Voor meer informatie klik op de links aldaar.

  © Blogger templates Inspiration by Ourblogtemplates.com 2008

Back to TOP  

Creative Commons License
werk van Benjamin N. Vis, Nieuwe Geluiden is in licentie gegeven volgens een Creative Commons Naamsvermelding-Niet-commercieel-Geen Afgeleide werken 3.0 Nederland licentie.